Ik ben een LeidscheRijner (I)

Niet iedereen die in Leidsche Rijn woont, voelt zich LeidscheRijner. Dat hoeft natuurlijk ook niet. En dat kan ook nog niet. Daarvoor moet, denk ik, nog bij vele bewoners het besef groeien wat het is om een LeidscheRijner te zijn.
Het heeft te maken met  verwondering, trots, je thuis voelen, contacten, deelnemen aan activiteiten. Maar ook met een bepaalde visie. Over die visie gaat het in de twee Blogs die ik daarover hier aanbiedt.

Ik ben een LeidscheRijner, want ik voel me een LeidscheRijner. Als burger, maar op een bijzondere manier ook door mijn ambt van pastoor van de parochie Licht van Christus die het gehele gebied van de Leidsche Rijn (Vleuten-De Meern en het Utrechtse deel) bestrijkt. Leidsche Rijn is niet alleen de nieuwbouw in het Utrechtse deel! Als pastoor kom ik in alle wijken, oude en nieuwe. Ik ken de oorspronkelijke bevolking, maar ook de nieuwe inwoners. Ze zijn me allemaal lief.

Omdat ik hier 25 jaar woon, zie ik ook nog overal waar ik kom voor me, hoe het gebied er  uitzag voor de nieuwe wegen en wijken kwamen en winkelcentra uit de grond werden gestampt waar eerst nog de schapen en de koeien graasden en de mollen en de hazen en fazanten vrij spel hadden. Waar de appelboomgaarden stonden en de kassen van de tuinders.

In de verschillende nieuwe wijken heb ik al heel wat huizen mogen inzegenen, en ook o.a. scholen, een ontmoetingscentrum, zelfs een rijdende Snackwinkel. Daarbij heb ik ook elke keer gebeden om zegen over alle omwonenden, ongeacht hun geloof of levensbeschouwing. Als parochie bidden we elke zondag  om zegen over dit gehele gebied.

Christenen leven vanuit het visioen van de stad van God die ooit “uit de hemel zal neerdalen”. Hoe kun je uitzien naar die stad als je niets heb met de stad om je heen en de mensen die daar in wonen?
Onze nieuwe stad die hier in tien jaar als het ware uit de hemel is neergedaald, zo snel is de bouw gegaan, is voor mij een wonder van menselijk inzicht, kunde, verbeelding, relaties, durf.

Ik hoop dat steeds meer bewoners zichzelf ook kunnen en durven investeren waardoor het Leidsche Rijngevoel gedeeld wordt. Men hoeft daarvoor niet overal en altijd aan alles deel te nemen.  Bouwen aan een goede geest in de eigen wijk is al genoeg. Als het maar in het besef is dat we samen deel uit maken van de samenleving die Leidsche Rijn heet.

In de volgende Blog leg ik uit dat Leidsche Rijn niet alleen een eigentijdse creatie is. Dat is het ook. Maar de verschillende delen zijn ook door de historie met elkaar verbonden. En deze historie is nauw verbonden met de parochie  http://martinlos.nl/mijnblog/?p=267

Wat God samengevoegd heeft

Tijdens het symposium op 12 oktober 2012 in de Nikolaikerk te Utrecht bij gelegenheid van de 50-ste verjaardag van het IIe Vaticaans Concilie werden vier lezingen gehouden. Een van de inleiders was prof. dr. Herwi Rikhof. Hij stond in zijn lezing stil bij een aantal belangrijke passages uit één van de constituties van het concilie, Lumen Gentium dat handelt over de Kerk, de positie van de gewijde ambten, van de leek, en daarmee samenhangende onderwerpen. Hij las de tekst zorgvuldig en wees daarbij op een aantal tegenstrijdigheden.
Opmerkelijk was dat prof Rikhof er aan het begin van zijn inleiding op wees, dat hij in zijn studietijd geleerd had op een bepaalde manier naar de teksten te kijken. Niet als een tekst op zichzelf, maar vanuit de ontstaangeschiedenis. De teksten van het concilie hebben namelijk allemaal een voorgeschiedenis. Er waren conceptteksten die aan de deelnemende kerkvaders vooraf thuis werden toegestuurd. Daarop konden ze reageren met voorstellen tot aanvulling of wijzigingen. En de teksten die uiteindelijk aan de algemene vergadering in Rome werden voorgelegd werden ook daar nog weer besproken. En als gevolg van de discussie werd de tekst vele malen alsnog een keer bewerkt voordat deze definitief werd vastgesteld als gezaghebbende kerkelijke tekst en het besluit tot publicatie werd genomen.
Dit ontstaansproces van de teksten kreeg volgens prof. Rikhof alle aandacht tijdens zijn studietijd. Pas later toen hijzelf doceerde, was hij de teksten steeds meer gaan zien als een gegeven op zichzelf. Dat leidde tot verrassende inzichten. Maar ook dan ontkom je niet, zo luidde de strekking van zijn lezing, aan de waarneming dat er hier en daar teksten zijn die soms moeilijk met elkaar te rijmen zijn, en die dan toch weer terugverwijzen naar de soms moeizame of ingewikkelde voorgeschiedenis. Hij liet een aantaal voorbeelden zien en stond daar wat uitvoeriger bij stil. Een helder, eerlijk, maar academisch betoog.

Nu is het is inderdaad heel boeiend hoe het in zijn werk is gegaan. Maar door deze aandacht voor het ontstaansproces zoomde men bijna automatisch in op de verschillen tussen stromingen of vleugels in de kerk. Grof gezegd tussen conservatief en progressief. In wetenschapsfilosofische termen: tussen de deductieve en de inductieve theologie. De eersten gaan uit van de eeuwige goddelijke waarheden, die vastgelegd zijn als kerkelijke leer, de laatsten baseren zich op de menselijke ervaring die in elke tijd anders is, en de bijbelse bronnen die aan alle theologische begripsvorming en dogma’s voorafgaan.
“Tegenover een conceptualistische opvatting die deze waarheid beschouwde als een tijdloze essentie stond een existentiële opvatting waarin de waarheid gold als heilswaarde voor de mensen” schrijft Jan Jacobs in het onlangs verschenen Visioenen van het Tweede Vaticaans Concilie (blz.23)
Deze voorrang van de ontstaansgeschiedenis van de teksten bij de bestudering boven de teksten zelf vestigde alle aandacht op de verschillen in de kerk, de opvattingen die tegenover elkaar stonden en de compromissen die daar uit voortvloeiden. Zo werd de studie van de teksten gemakkelijk tot het opmaken van een winst- en verliesrekening voor de progressieve en conservatieve stromingen in de kerk. Een weinig inspirerende bezigheid. Wat tijdens het concilie was samengevoegd op menselijke, soms te menselijke wijze, werd achteraf weer uit elkaar gehaald. Als in een huwelijk waar man en vrouw na de trouwdag leven alsof zij samen niet een nieuwe eenheid vormen, maar in een livingaparttogether relatie of een andere gedoogconstructie

Ik pleit ervoor om de teksten als pure eenheid te zien, en ze niet te ontrafelen via de ontstaansgeschiedenis om ze beter te kunnen begrijpen.  Een schilderij heeft ook haar ontstaangeschiedenis, maar die zegt niets over het uiteindelijke resultaat. Zo is ook met een symfonie. Die is ook niet in een pennestreek gecomponeerd en opgeschreven. Ook een roman heeft verscheidene concepten voor de publicatie in boekvorm. Men kan over al die processen in schilderkunst, muziek en litteratuur op zich een boek schrijven. Maar het gaat om het eindresultaat.
Stel je voor dat we Eline Vere van Couperus nemen en reconstrueren hoe de volgorde is van de hoofdstukken en alinea’s zoals ze geschreven zijn in de tijd. Misschien heeft Couperus wel het laatste hoofdstuk voor een deel als eerste geschreven, omdat hij zich al een doel voor ogen had gesteld. Er zou een absurde roman ontstaan. Even vreemd als de achterkant van een borduurwerk met de afgeknipte en onsamenhangende draden. Op het moment dat de laatste hand gelegd is aan het borduursel is het uniek en af.
Zo dienen we naar mijn mening ook om te gaan met de constituties en decreten van Vaticanum II. Niet de ontstaansgeschiedenis is bepalend voor het verstaan, maar het uiteindelijke geheel. Deze teksten vormen ieder op zich en ook samen één geheel.

Maar daarvoor is nodig dat men het niet ziet als louter mensenwerk, maar als het werk van de heilige Geest. Uiteraard is het concilie voor honderd procent mensenwerk en soms stukwerk misschien, maar het is ook voor de volle honderd procent het werk van de heilige Geest.
En het is onontbeerlijk dat men naar de teksten luistert in diezelfde Geest. Om het in literatuur wetenschappelijke termen te zeggen: “de innerlijke auteur van de roman spreekt tot de innerlijk hoorder van de lezer”. De schrijver valt niet samen met de innerlijke auteur en de innerlijke hoorder valt niet samen met de koper van het boek, de lezer. Er ontstaat een onvoorziene relatie die zowel de persoon van de lezer transformeert als het boek.

We kunnen als we de ontstaansgeschiedenis van de teksten tijdens het concilie buiten beschouwing laten, omdat we de tekst als eenheid aanvaarden, bij het lezen van de documenten nog steeds spanningen tegenkomen tussen bepaalde teksten. Laten we die dan niet beschouwen als onuitwisbare sporen van elkaar bestrijdende partijen tijdens het concilie. Maar laten we die spanning tussen bepaalde teksten zien als dynamiek die hoort bij een levende werkelijkheid die de kerk is als grondtoon en melodie, stem en tegenstem in een concert. Niet als onoverbrugbare of nog niet overbrugde tegenstellingen, maar als vruchtbare dynamiek, als stem en tegenstem, als blikopeners en perspectieven voor de realisering in het leven van de kerk en in ons eigen leven van de conciliebesluiten.

Trouwens wat op het ene moment als tegenstelling wordt ervaren, kan in een volgende tijd gezien worden als elkaar aanvullend. De theologen (zoals met name ook Schillebeeckx) zagen de positie waaruit men vanuit de menselijke ervaring en de bijbelse bronnen vertrok als vooruitgang en vasthouden aan de zogenaamde goddelijke waarheden als achterhaald. We weten nu dat zowel de menselijke ervaring samen met putten uit de bijbel niet kan zonder gedeelde conceptualiteit van de overgeleverde leer. Catechese die vertrok uit pure menselijke ervaring heeft vrijwel nergens tot blijvende resultaten geleid. Dat is niet zo vreemd, want we zien nu weer  in dat catechese niet kan zonder het gedeelde geloof van de kerk, neergelegd in de schitterende dogma’s.
Catechese die niet aansluit bij en geen rekening houdt met menselijke behoefte en ervaring is stomp en wezenloos. Ervaring die geen veilige haven zoekt in de gemeenschappelijke traditie is als natte sneeuw

Er zijn tot op de dag van vandaag stromingen in de kerk. Die zullen er altijd blijven. Ze zijn er altijd op een bepaalde manier geweest, zoals een menselijk lichaam vleugels heeft in de vorm van schouders en armen. Dat is niets mis mee. Integendeel. Beide armen zijn nodig om aan de slag te kunnen en doelen te realiseren. Maar als de ene arm tegen de andere zegt “Ik heb jou niet nodig”  klopt er iets niet. Of nog ingrijpender: als de ene arm de andere afhouwt omdat ze schadelijk zou zijn voor de kerk. We zien het gebeuren in de conservatieve en progressieve afsplitsingen. De eersten zien zich als verliezers en zien het concilie als breuk met het verleden. De tweede groep ziet zich als verliezers en zien het concilie als niet ver genoeg gegaan.
Naarmate het concilie in de tijd verder van ons af komt te staan, en degenen die het meegemaakt hebben of er mee opgevoed zijn, niet meer in leven zijn, zullen de emoties, de teleurstelling en het likken van wonden verdwijnen. Dat zal er hopelijk toe leiden dat we nog beter gaan verstaan welke wegen het concilie in haar constituties en decreten voor de toekomst heeft aangegeven, en welke nog onvermoede vergezichten ze bevat voor een vitale kerk.

Want als de heilige Geest de (co-)auteur van de teksten van Vaticanum II is – dat is een zaak van geloof – dan zullen we nog voor vele boeiende uitdagingen komen te staan. En dan hebben we de beide armen van het lichaam dat de kerk is, nog hard nodig.
Daarom durf ik het aan om het bekende woord van Jezus ook toe te passen op de teksten van de constituties en decreten van het voor heel de kerk gezaghebbende IIe Vaticaanse Concilie: “wat God samengevoegd heeft, scheide de mens niet!”(Marcus 10)