De vrijheid om te vergeven

Preek op de 24e zondag door het jaar 13 september 2020 Mariakerk en Willibrordkerk

“Hoevaak moet ik mijn broeder vergeven? Zevenmaal? vraagt Petrus aan Jezus. “Niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventig maal zeven toe” antwoordt Jezus 1)
Het antwoord is duidelijk. In het rijk van God mag je aan vergeving geen grenzen stellen. Je mag geen innerlijke boekhouding bijhouden dat op een bepaald moment de maat vol is.
Toch komt deze opdracht tot eindeloze vergeving op ons over als een ideaal dat voor weinig of geen stervelingen zoals wij is weggelegd. Om eerlijk te zijn hebben we vaak al moeite om één keer te vergeven. Ja, juist die ene keer.
We erkennen allemaal dat iemand vergeving schenken tot de kern van het  christelijk geloof behoort. We herinneren ons er dagelijks aan als we bidden: “Vergeef ons onze schulden zoals ook wij vergeven onze schuldenaren”. En Jezus zelf bad aan het kruis voor zijn vijanden: “Vader, vergeef het hun want ze weten niet wat ze doen”.
Er is dus geen twijfel mogelijk dat vergeving bij ons leven als christenen hoort als dagelijks brood. Ze vormt de kern van de kerkelijk verkondiging en bediening. Hoe komt het dan dat we aan de ene kant hartelijk de noodzaak van onbeperkte vergeving aanvaarden, en aan de andere kant de uitvoering niet realistisch vinden?
Omdat het lijkt alsof we altijd alles en iedereen moeten vergeven ondanks de pijn en het onrecht dat ons persoonlijk is aangedaan zonder dat daar iets tegenover staat.
Maar op een andere plaats horen we Jezus een nuance aanbrengen: “Al misdoet uw broeder zevenmaal per dag tegen u, maar zevenmaal ook wendt hij zich tot u met de woorden: “Het spijt me, dan moet ge hem vergeven”. Hier is duidelijk sprake van iemand die zegt: “het spijt me”. Aan de vergeving gaat dus een voorwaarde vooraf: dat de ander berouw heeft en daar rond voor uit komt.
Als iemand oprecht excuses maakt en je weigert die, dan is dat harteloos. Ik denk dat de opdracht tot vergeving op deze manier veel realistischer is. Ja, dan kan het oprecht vreugde geven om de ander te vergeven.

In de gelijkenis die Jezus vertelt, gaat het over over een  knecht die zelf vergeving krijgt van zijn heer, maar zijn mededienaar weigert diens veel kleinere schuld kwijt te schelden. Die mededienaar vraagt –  zo horen we  – uitdrukkelijk om vergeving, maar de knecht weigert het. Kijk, dat gedrag wordt door zijn heer verworpen. Hij zegt: Als jij de ander zijn schulden niet vergeeft, hoef je ook niet op mijn vergeving en kwijtschelding te rekenen.
De oproep van Jezus om eindeloos te vergeven, doet een beroep op degene die benadeeld is. Maar hij doet ook een beroep op degene die schade aan heeft gericht: ga oprecht door de knieën en biedt je verontschuldigen aan. Want laten we eerlijk zijn: we hebben niet alleen moeite om te vergeven, we hebben evenzeer of meer moeite om een ander vergeving te vragen.
Maar nu een heel belangrijke overweging: lang niet altijd weten mensen dat zij iets verkeerds gedaan hebben. Zij vragen dus ook niet om vergeving. Hoef je die dan niet te vergeven omdat zij er niet om vragen?
We zijn er ons zelf ook lang niet altijd van bewust dat we iets misdaan hebben tegenover een ander. Ik herinner nog een keer aan het kruiswoord van Jezus: “Vader, vergeef het hun want ze weten niet wat ze doen”. De mensen die Jezus aan het kruis brachten mensen God te dienen door een godslasteraar ter dood te brengen. Als ze niet verblind waren geweest en geweten hadden dat Jezus de Zoon van God was, hadden ze natuurlijk nooit geroepen: kruisigt hem!
Op verschillende plaatsen in de Bijbel wordt uitdrukkelijk onderscheid gemaakt tussen een zonde tegenover een medemens waarbij de dader zich volkomen bewust is van de verkeerde daad, en dit opzettelijk doet, en een daad waarbij de ander zich niet bewust is van zijn verkeerde daad en van de consequenties daarvan voor de ander.
In dat geval is er natuurlijk niemand om excuses aan te bieden en te vragen of hij iets van de schade kan herstellen. Hoe kun je dan vergeven als er niemand is die zegt: “Het spijt me?”
Dat kan door je te verplaatsen in de ander. Door in gedachten die ander liefdevol aan te zien. Door bij jezelf te denken: “als de ander echt geweten had wat voor pijn hij mij heeft gedaan, zou hij dit nooit gedaan hebben”. In feite is heel de oproep van Jezus om onvoorwaardelijk altijd te vergeven een oproep tot liefde. De ander vergeven die spijt heeft of die niet weet wat hij deed, is een daad van liefde. Hopen we ook zelf niet liefdevol bekeken te worden met onze fouten en tekortkomingen.
Jezus nodigt ons uit om die liefde te beoefenen. Niet met tegenzin, maar als de grootste gave die God de mens geschonken heeft. Een gave waartoe iedereen in staat is. Niet iedereen kan goed pianospelen of sporten of organiseren of schrijven. Maar liefhebben kan iedereen. Vergeven kan dus iedereen. Waarom? Omdat God ons daartoe de vrijheid schenkt. Hijzelf pint ons niet vast op onze fouten en misstappen. Zou Hij dat wel doen, dan hoefden we maar één fout te maken en we zaten daar voor altijd aan vast. Maar God vergeeft ons en schenkt ons telkens de vrijheid om opnieuw te beginnen. Hij is zelf vrij. Hij zit niet aan onze zonden vast. Hij schenkt genade op genade. Als we dat begrijpen, zullen we beseffen dat wij als zijn kinderen ook vrij zijn om te vergeven aan anderen. Als we anderen niet vergeven dan zijn we zelf niet vrij. De liefde van God maakt ons vrij. Vrij om lief te hebben en te vergeven. Zeven maal zeventig maal. Amen

Pastoor Martin Los

1) Evangelie van deze 24e zondag door het jaar (A) volgens hMattheus18:21-35et r.k. lectionarium: Mattheus 18:21-35


Verwar geluk niet met comfort

Homilie op de 22e gewone zondag door het jaar in de Mariakerk

“Wie mijn volgeling  wil zijn, moet mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op zich te nemen”1)
Lieve zusters en broeders,  we hebben als mensenkinderen allemaal negen maanden in de meest comfortabele toestand verkeerd die je maar kunt denken: de moederschoot. Geen wonder dat we een levenslang een soort heimwee hebben naar comfort alsof dat onze natuurlijke toestand is en alsof we daar recht op hebben.  Alsof dat het doel van het leven is.
En in de meeste gevallen worden we na de geboorte die we als een koude douche ervaren en die we met geschreeuw beginnen, nog lange tijd gepamperd door liefhebbende ouders. Ook heel comfortabel. Toch leert het leven zelf dat we om iets te bereiken moeite moeten doen. Een baby strekt zijn armpje net zo lang uit tot het de kleurige rammelaar bereikt. En een poos later trekt het kind zich aan de spijlen va de box om hoog om te staan en uiteindelijke erover heen te klimmen. Zonder inspanning kom je nergens en bereik je niets. Zo verlaten we steeds onze comfortabele positie om iets te bereiken waar we onze zinnen op gezet hebben. Alleen maar gemak maakt lui en egoïstisch. Alleen maar inspanning blust uit. Zo zoeken we een leven lang een zeker evenwicht tussen gemak en inspanning.
Hoe moeten we dan Jezus oproep verstaan: “Wie mijn volgeling wil zijn, moet mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op zich te nemen”. Betekent dit dat we ons alle comfort en genoegens zouden moeten ontzeggen? Betekent dit dat we alleen  nog maar inspanningen moeten verrichten, inspanning die bovendien helemaal tegen onszelf ingaan?
Zo worden deze woorden vaak wel verstaan. Niet alleen door hen die kritisch staan ten opzichte van geloof. Maar ook door hen die zich tot de religieuze elite rekenen.
De fout die daarbij gemaakt wordt, is dat men de woorden van Jezus losmaakt van zijn persoon, zijn leven en zijn zending. Maar het gaat niet om zelfverloochening op zich. Het gaat niet om lijden te zoeken. Jezus zegt: “wie mijn volgeling wil zijn”. D.w.z wie een leven wil lijden in verbondenheid met mij.
We moeten altijd Jezus zelf voor ogen houden. Zijn woorden, zijn daden en zijn leven. Horen we ooit dat Jezus zichzelf pijnigde? Dat hij zich uithongerde en geselde? Daartegenover hoorden we dat hij op de bruiloft te Kana was en water in wijn veranderde. Hij liet zijn leerlingen graankorrels plukken en opeten op de Sabbat. Hij leerde de mensen ontspannen te leven door te kijken naar de bloemen op het veld en de vogels in de lucht. Hij at met tollenaars en zondaars. Zijn tegenstanders verweten hem constant dat hij een volkomen verkeerd voorbeeld gaf.

“Wie mijn volgeling wil zijn, moet mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen” is leven naar het voorbeeld van onze Heer zelf. Hij had steeds voor ogen om Gods wil te doen. Hij deed alleen wat Hij bij zichzelf voor God kon verantwoorden. Alles wat hij deed was erop gericht God te dienen en te verheerlijken. Niets kon hem daarbij hinderen. Niet de elementen zoals storm en golven, niet de tegenstand van de mensen, niet de verleidingen, niet zijn veroordeling en dood aan het kruis. Zo mogen wij ook overtuigd zijn dat niets ons kan hinderen te leven als Gods kinderen. Het kwade weerstaan en doen wat goed en rechtvaardig is. Dat is vaak niet comfortabel, maar schenkt wel het geluk van een zinvol leven. Laten we als volgelingen van de Heer bij iedere stap Jezus voor ogen houden, de Mensenzoon 2), het Lam Gods dat wegneemt de zonden der wereld. De Mensenzoon aan wie het laatste oordeel is gegeven, aan wie wij door het geloof toebehoren, die onze harten kent. Met hem hebben wij niets te vrezen. Hij schenkt ons de vrijheid van Gods kinderen.
“Wie mijn volgeling wil zijn, moet mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen”. Dit is geen zelfkastijding en zelfhaat, maar moed tot vrijheid. Dit is beaming van het leven, de macht van de hoop.
Als christenen zijn we allemaal geroepen om zo in navolging van Christus te leven. Maar ook mensen die geen religie aanhangen, doen goede en rechtvaardige dingen, meer dan we ons bewust zijn. Daar kunnen we alleen maar respect voor hebben. Ja, we kunnen als christenen persoonlijk van anderen soms nog heel wat leren. In het publieke leven is dus meestal niet zichtbaar dat we volgelingen van Jezus zijn. Bovendien zegt Jezus zelf ergens: “Laat uw linkerhand niet weten wat de recht doet”. We moeten als christenen niet met ons goeie gedrag te koop lopen. Geloven mag wel gezien worden door onze gang op zondag naar de kerk. En doordat we misschien een ketting om de hals dragen met een kruisje.

Maar in de katholieke traditie kennen we ook de kloosterorden. Mannen en vrouwen die hun leven publiekelijk wijden aan gebed en dienst aan de naaste. Vaak ook zichtbaar aan hun dagelijks gewaad, het habijt. Zij zijn niet hoger in rang in de kerk, maar zij zijn teken van ons allemaal als broeders en zusters in deze wereld.
U, zuster Rita, bent één van hen. Vandaag al zestig jaar geleden hebt u uw gelofte afgelegd van een leven van armoede, zuiverheid en  gehoorzaamheid.
U blikt in dankbaarheid terug op een leven in navolging van Jezus. 60 jaren in dienstbaarheid aan de kerk en uw medemensen. De meeste jaren diende u God en de naaste in de kloosters van Maria Magdalena Postel op de achtergrond in de huishouding: de keuken en in de kapel, mensen verzorgen in verschillende verzorgingshuizen, als een soort olie die de machine vlot liet verlopen. De laatste jaren bent u een zuster in ruste door uw hoge leeftijd. En u hebt geen gemakkelijk leven gehad door verschillend handicaps. Maar u bent nog steeds actief door uw gebed, speciaal ook voor de zieken, voor de hele parochie, voor het pastorale team en de pastoor. Net als een moeder en grootmoeder die voor haar kinderen bidt terwijl ze zich daar helemaal niet van bewust zijn, maar er toch op vertrouwen, zo draagt u ons in uw gebed. In het bijzonder ook in deze tijd van de coronapandemie.
Wij zijn heel blij en dankbaar met u, zr Rita. We wensen u toe dat het u nog lang gegeven mag zijn door uw aan Jezus gewijde leven in ons midden te leven. “Wie mijn volgeling wil zijn, moet mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen”. Verwar geluk niet met comfort.
Heer Jezus Christus, geef ons het inzicht om in te zien hoe veelbelovend uw woorden zijn voor ons leven, en geef ons de kracht om ze met een vrolijk hart te volbrengen.

(c) Martin Los
1) Evangelielezing op de 22e zondag volgens het universele r.k. lectionarium: Mattheus 16:21-27
2) “Want de Mensenzoon zal komen in de heerlijkheid van zijn Vader, vergezeld van zijn engelen en dan zal Hij ieder vergelden naar zijn daden” (Mattheus 16:27)
3) zr. Rita van de congregatie van H.Maria Magdalena Postel, wonend in onze parochie vierde vandaag haar 60 jarig kloosterjubileum in ons midden