Homilie op de 3e zondag door het jaar C-cyclus

in het weekend van 26 en 27 januari 2013 in de kerk van O.L.V. ten Hemelopneming te De Meern
1e lezing: Nehemia 8:2-10  Evangelie: Lukas 4:14-21

Lieve zusters en broeders, het is deze week in ons land Voorleesweek. De scholen nodigen bekende personen zoals een burgemeester of opa’s en oma’s worden uit om een verhaal in de klas te komen voorlezen.
De jaarlijkse Voorleesweek spoort ook alle moeders en vader aan om hun kinderen voor het slapen gaan een verhaal voor te lezen.
Wat is er fijner voor een kind dan dat je vader of moeder aan bed zit en je een verhaal voorleest. Langzaam lekker wegdromen. Dat is super!

Waarom lezen volwassenen aan kinderen voor? Omdat kleine kinderen niet kunnen lezen, of nog niet goed genoeg. Dat klopt. Maar naar een verhaal luisteren is toch niet hetzelfde als een verhaal lezen.
Een verhaal dat iemand je voorleest, is veel persoonlijker. Want je hoort de stem van je moeder die voorleest binnen in je, want via je oor komt haar stem als het ware je hart binnen.
Het lijkt dan meer tot de verbeelding te spreken. Het lijkt wel of je het ook beter kunt onthouden.

Nu zijn het de kleine kinderen die nog niet kunnen lezen. Anderhalve eeuw geleden konden de meeste volwassen niet lezen. Toen genoot iedereen ervan als een verhaal werd verteld of voorgelezen.

Er is één plaats waar altijd werd voorgelezen. Een plek waar ook vandaag nog wordt voorgelezen. Dat is de kerk. Elke zondag, elke feestdag wordt uit de bijbel voorgelezen.
Toen er nog geen radio en televisie was, en toen de meeste mensen nog niet konden lezen, zagen de mensen er naar uit om in de kerk de verhalen en de teksten uit de bijbel te horen. Ze dronken als het ware die woorden in. Ze onthielden ze. En ze dachten er door de week nog vaak even over na.
De woorden en de verhalen uit de Bijbel waren voor verreweg de meeste mensen, volwassen én kinderen, alleen bekend doordat ze werden voorgelezen. Ze hoorden de woorden door de stem van iemand die ze voorlas.
Daardoor waren het altijd persoonlijke woorden. De voorlezer had ze niet zelf bedacht, maar iedereen hoorde hem wel persoonlijk spreken. Het was een stem die via hun oor in henzelf binnenkwam.

En daardoor was het voor iedereen gemakkelijker om daarbij te denken aan de stem van God. Want de bijbel noemen we het woord van God of het woord van de Heer. We horen een mens, een persoon, die in de kerk uit de bijbel voorleest. Het komt bij ons binnen. En daardoor kunnen we ons beter voorstellen dat God zelf tot ons spreekt.

God zelf spreekt tot ons. We horen zijn woord. Daarom lezen we in de kerk nog steeds voor. Eigenlijk zouden we daarom tijdens de lezing zelf niet in ons boekje moeten kijken, maar alleen maar luisteren.
Elke zondag is het Voorleeszondag in de kerk.

Bijna iedereen in de kerk kan nu lezen. Dus daarvoor hoeven we niet voor te lezen in de kerk. Maar ook in onze tijd gaan we gewoon door met voorlezen in de kerk. Net als in de bijna twee duizend jaar dat de meeste mensen niet konden lezen.
Want als we in de kerk samenkomen als volk van God dan vieren we dat God zelf tot de mensen spreekt. En wij allen zijn blij en dankbaar dat God tot ons spreekt. Dat is een feest. Zelfs als we niet alles begrijpen wat we horen, weten we toch dat het God is die tot zijn volk spreekt. En uit blijdschap zingen we liederen en uitroepen rond de lezingen. We gaan staan voor het Evangelie en we zingen “alleluia”.

Laten we ons nu iets heel bijzonders voorstellen. Moet je je voorstellen dat iemand in de kerk uit de Bijbel gaat voorlezen. Je hoort zijn of haar stem. Maar degene die leest, leest  zo bijzonder voor dat je helemaal vergeet dat er voorgelezen. Het lijkt wel alsof je direct God zelf hoort spreken?
Dat kan je je haast niet voorstellen. En toch gebeurde het. Het gebeurde er toen Jezus met zijn leerlingen naar de kerk was gegaan. Synagoge heette de kerk toen.

Jezus was een bijzondere gast. De leider van de kerk vroeg daarom Jezus om die morgen voor te lezen uit de bijbel. Op die manier eerde mens een gast. Zo hoorde men ook eens een ander geluid!
Jezus las de woorden voor die hij aantrof op de plek waar het boek open gelegd werd. Hij las woorden uit het boek van de profeet Jesaja: “De Geest van de Heer is over mij gekomen, omdat hij mij gezalfd heeft.. Hij heeft mij gezonden om aan armen de blijde boodschap te verkondigen…”
De mensen in de synagoge konden hun oren niet geloven. Hier was niet een mens die een tekst voorlas van iemand anders. Het leek wel alsof Jezus de woorden die hij voorlas, sprak alsof ze van hemzelf waren. Alsof Hij en God dezelfde waren.
Dit hadden ze nog nooit meegemaakt. En toen Jezus klaar was, hield hij geen preek om de woorden uit te leggen. Hij zei: “heden is dit woord in uw oren vervuld”.

Jezus spreekt niet alleen het woord van God. Hij is het woord van God. Dat is de blijde boodschap. Altijd en overal waar je naar Jezus luistert, hoor je God zelf.
Wat fantastisch dat we in de kerk altijd naar Jezus zelf mogen luisteren. Ze horen zijn stem door het Evangelie dat wordt voorgelezen.

Jezus is géén boek dat je weer dicht doet. Hij is geen boek dat je op zeker moment uit hebt. Als je eenmaal zijn stem gehoord hebt, blijf je altijd naar zijn woorden luisteren.
Je bewaart ze in je hart. Ze vergezellen je overal waar je gaat. Ze helpen je bij je beslissingen. Ze geven je moed en kracht in allerlei situaties. Ze geven je uitzicht. Ze zijn een licht op je weg.

Daarom komen we samen als volk van God om steeds weer te luisteren naar zijn woord. In het bijzonder het Evangelie. Want Gods woord vraagt niet om gelezen te worden, als een stuk informatie.
Het woord van God vraagt om gehoord te worden.
Het gaat erom dat we zijn stem in ons hart horen. Dat we instemmen en op weg gaan om als kinderen van God te leven. Blij dat we zijn woord gehóórd hebben. Blij dat we weer met goede moed en vol verwachting het leven in gaan. Amen

Pastoor  Martin Los

Homilie op de 4e zondag door het jaar C-cyclus

in de H. Willibrordkerk te Vleuten op zaterdag 2 en zondag 3 februari 2013
evangelielezing: Lukas 4:21-30

Lieve zusters en broeders, overal waar Jezus komt gebeuren wonderlijke dingen. Zieken worden genezen. Lammen staan op. Blinden worden ziende. Mensen hangen aan zijn lippen om de nieuwe inspirerende boodschap die hij verkondigt.
Maar in zijn geboorteplaats Nazaret stuit hij als het ware op een muur.

Jezus wordt als eregast gevraagd om in de vertrouwde synagoge van zijn vaderstad de Schriftlezing te doen en een stichtelijk woord te spreken.
Dat was in die tijd gebruikelijk. Wij hebben vaste lectoren. Maar in die tijd was het in de synagoge gebruikelijk dat een gast de voorlezing deed. Die deed ook een kort stichtelijk woordje. Op die manier hoorde men ook weer eens een ander geluid.

Ze reiken Jezus de boekrol van Jesaja aan. Dat is iets anders dan een boek dat je kunt doorbladeren tot je een geschikte tekst vindt. Een boekrol bestaat eigenlijk uit twee opgerolde uiteinden. De voorlezer leest verder waar de boekrol openligt en de vorige lezer gebleven is.
Als Jezus de boekrol opent, treft hij daar de woorden aan: “De geest des Heren is op mij. Omdat hij mij gezalfd heeft.  Hij heeft mij gezonden om aan armen de blijde boodschap te verkondigen”.
Dat is precies een van de teksten uit de Bijbel die vertellen hoe de ware dienaar van God eruit ziet en wat hij doet. Al die dingen doet Jezus. Hij heeft ze gedaan in de omliggende plaatsen. Daarom zegt Jezus: “heden is dit Schriftwoord in uw oren vervuld”.

Allemaal zijn ze verbaasd. Want dit is toch de zoon van de timmerman uit het dorp? Deze jongeman is toch in hun midden opgegroeid. Hoe kan het dan dat hij zo anders is dan zij? Ze zijn verwonderd.
Maar niet als mensen die geraakt worden en openstaan voor de boodschap en de werking van Jezus zoals op alle andere plaatsen. Ze zijn verbaasd omdat hij anders is dan zij. Ze kunnen dat niet plaatsen. Hun verwondering slaat om in ergernis en afgunst.

Jezus begrijpt hun ongeloof. Hij analyseert het voor ze. Hij legt het hun op humorvolle wijze uit door naar allerlei schrifteksten te verwijzen waar juist buitenstaanders de boodschapper van God beter begrijpen dan Gods volk zelf.
Maar bij ieder woord dat Jezus zegt neemt hun verontwaardiging toe. Uiteindelijk zetten ze hem zelfs de kerk uit. Nazaret is tegen rotsige heuvels gebouwd.
Ze zouden hem zelfs de afgrond in hebben geduwd als Jezus niet kalm en met gezag dwars door de menigte heen terug was gelopen.

Waar wij ons over verbazen is dat de emoties zo hevig en zo hoog konden oplopen. Oké, dat de mensen in Nazareth niet in Jezus geloofden, is misschien onbegrijpelijk. Maar waarom ging de ergernis zo ver dat ze hem bijna vermoorden? Ze hadden toch met respect naar hem als een gast kunnen luisteren en daarna gewoon hun gang kunnen gaan?
Diezelfde vraag doet zich voor als we denken aan de laatste dagen van Jezus. Waarom riep zijn optreden zo’n enorme weerstand op. Hij deed alleen maar  goeds. En toch roepen de mensen:  “aan het kruis met hem”.

We zien ook in onze tijd dat emoties hoog op kunnen laaien zodra godsdienst in het geding is. Sommige mensen slaan zelf volledig door en beweren dat religie de grootste bron van conflicten is in de wereld.
En de pijn en emotie die zo’n gemakkelijk oordeel oproept bij gelovigen, is op zichzelf dan weer bewijs dat emoties gemakkelijk kunnen opspelen zodra geloof in diskrediet wordt gebracht.
In onze eigen moderne Westerse wereld zien ook hoe snel emoties oplopen. Bijvoorbeeld als de paus iets zegt. Zonder dat men kennis genomen heeft van wat hij werkelijk gezegd heeft, neemt verontwaardiging bezit van velen. De aantijgingen en soms verwensingen gaan als een bliksemschicht over het Internet heen.  Krantencolumns staan er vol van.

Onlangs is een boekje in Nederland verschenen onder de titel “Religiestress”. Het woord Religiestress was zelfs even genomineerd in de top vijf van nieuwe Nederlandse woorden van het afgelopen jaar.
Het boek gaat over de hevige emoties die spelen in onze tijd rond godsdienst en geloof.
Nu niet tussen mensen van verschillende geloven en kerken zoals vroeger. Nee, de emoties en de pijn zijn nu voelbaar tussen gelovigen en mensen voor wie geloof totaal geen rol meer speelt.
Het komt tot uiting rond zaken als besnijdenis, ritueel slachten, de weigerambtenaar, de koopzondag, het kruisje dat iemand in een openbare functie draagt. Steeds lijken niet meer rustige verstandelijke overwegingen een rol te spelen, maar emoties die gesprek en overleg onmogelijk lijken te maken.
Je stuit er ook op in zo’n geval als waarin de gemeenteraad van Den Haag besloot dat in een kerk geen stembureau meer zou mogen zijn: “want mensen zouden daardoor afgeschrikt worden”.

Enerzijds zien we een heersende maatschappelijke stroming die alle godsdienstige uitingen uit het openbare leven tot de laatste punt en komma wil verwijderen. Aan de andere kant zien we gelovigen die telkens als door een speld getroffen reageren op elk stukje godsdienstige cultuur dat geen stand kan houden.
Het boek “Religiestress” toont aan dat de overgevoeligheid aan beide kanten zeer waarschijnlijk voortkomt uit onverwerkte pijn die bij beide partijen zit.

De schrijver vergelijkt het met een echtpaar dat door een scheiding uit elkaar gaat. Elke stap die de andere partij doet wordt met argus ogen gevolgd en wordt als pijnlijk en bedreigend voor de eigen beleving ervaren. Pas als men werkelijk geaccepteerd heet, dat de scheiding definitief is, en dat er ook een leven na de scheiding is, kan men weer beter met elkaar omgaan en zelfs de goede dingen in elkaar benoemen.
Als moderne mensen die afscheid van geloof hebben genomen, echt helemaal los van hun verleden zouden zijn, zouden ze in geloof en in het bijzonder het christendom ook veel meer de goede dingen kunnen zien. Omgekeerd als we als gelovigen beter zouden accepteren dat mensen geloof en God vaarwel zeggen, en dat je geloof nooit kunt opdringen omdat geloof met liefde voor God en met vrijheid van geweten te maken heeft, dan zullen we de niet religieuze mensen beter accepteren en niet alles wat zij doen als afbraak zien van wat ons lief is.

Religiestress is van alle tijden. Het verhaal van Jezus in Nazareth laat zien hoe hoog die stress kan oplopen. Het is goed als we in onze tijd juist als gelovige mensen niet meedoen met die stress. Jezus deed er ook niet aan mee. Hij ging niet met geweld tegen de menigte in. Hij riep niet zijn potige leerlingen te hulp. Hij liet de menigte zo ver gaan als hijzelf toeliet. Toen lieet hij zijn gezag en overwicht over al die emoties en stress blijken door dwars tegen de stroom heen terug te lopen. En niemand die hem kan tegenhouden. Men stond verbaasd over zijn kalmte en gezag.

Laten wij als gelovige christen ons geloof niet tot voorwerp van strijd en stress maken. Natuurlijk ervaren we soms pijn om onbegrip en verlies van wat ons lief is. Maar ons christelijk geloof is liefde tot God en liefde tot Jezus. Die liefde vraagt ons om niet onbegrip met onbegrip te lijf te gaan. Het is de opdracht van Jezus aan ons om  voor hen die ons niet begrijpen en soms pijn doen, te bidden. Dat is de ware godsdienst die van ons, christenen, gevraagd wordt.
En als we zo handelen zullen we ook ervaren hoe dicht we bij Jezus staan. Hij liet zich niet meeslepen, maar liep kalm door de menigte heen. Niet om te bewijzen hoe superieur hij was. Maar om zijn zending te kunnen voortzetten: de verkondiging van Gods liefde en de komst van Gods koninkrijk. Amen

(c) Martin Los