Homilie op Allerheiligen 2015 Mariakerk en Willibrordkerk

Preek op Allerheiligen 1 november 2015 Mariakerk en Willibrordkerk waarin we de (74) gestorvenen in onze parochie van het afgelopen jaar herdachten

voorgeschreven schriftlezingen voor dit feest uit het universele r.k. lectionarium voor zon- en feestdagen. 1e lezing: Openbaring van Johannes 7:2-4.9-14 2e lezing: I Johannes 3:1-3 en Evangelie: Mattheus 5:1-12a

all saints day 2015Lieve zusters en broeders, we gedenken vandaag onze gestorvenen. Voor ons zijn zij niet dood. Ze leven.
Ze leven voort in ons. Ze leven voort in onze harten. En wat ons het meest troost en verheugt: ze leven voor God.
Het is goed om ons daar van bewust te zijn. Deze dagen van gedachtenis, Allerheiligen en Allerzielen helpen ons daarbij. En ook deze eucharistie waarin we de gestorvenen van het afgelopen jaar gedenken.
Ons leven is in onze tijd zo gejaagd dat we soms nauwelijks aan ons eigen leven toe komen. Des te meer dreigen de gestorvenen uit beeld te raken. Daarmee doen we hen tekort en we doen ook onszelf te kort. Want als we onze gestorvenen liefdevol en dankbaar gedenken, vervult ons hart zich ondanks gemis met licht en vreugde.
En ze blijven dan ook een bron van inspiratie voor ons door hun voorbeeld.

Onze gestorvenen leven letterlijk in ons voort. Niemand van ons is uit de lucht komen vallen. We danken ons bestaan aan onze vaders en moeders.
Het ongelofelijke avontuur dat het leven is hebben we door hen ontvangen.
Juist als ze gestorven zijn, beseffen we dat vaak meer dan toen ze nog leefden.

Ze leven voort in onze harten. Dat geldt niet alleen van onze ouders maar van alle mensen met wie we verbonden zijn.
Wat een rijkdom aan verhalen en beelden. Wat een bron van inspiratie en bemoediging. Ons hart is een schatkamer met al die schatten van mensen die we gekend hebben, die ons gevormd hebben, die we bewonderd hebben.
Een Afrikaans spreekwoord zegt: een mens sterft tweemaal. Eenmaal aan het einde van je leven en eenmaal als ook de laatste die jou herinnert sterft. Het is goed om te bedenken wat wij nog voor onze gestorvenen kunnen betekenen doordat hun liefde en wijsheid van kracht blijft als we aan hen denken.

Maar er zijn ook mensen aan wie niemand denkt, omdat ze in eenzaamheid gestorven zijn. Daarom gedenkt de kerk morgen op Allerzielen ook alle gelovigen en mensen van goede wille aan wie niemand ooit nog denkt, en die we zelf ook niet gekend hebben. Ook zij mogen op onze liefde rekenen voor zover ze ook mensen waren met tekorten zoals wij zelf. De kerk gedenkt hen met liefde.
Ze betrekt de gelukwensen van Jezus ook op al die onbekende en in de ogen van de wereld vaak onbetekenende mensen: Zalig de armen van geest want aan het behoort het rijk der hemelen!
God heeft in zijn liefde immers het laatste woord over het leven van iedere mens. En Christus heeft zijn leven niet alleen gegeven voor hen die bekend of zelf beroemd zijn geworden, maar ook voor al diegenen die onopvallend leefden en op Hem vertrouwden, soms in de meest moeilijke omstandigheden.

Onze gestorvenen leven ook voor God. We mogen hen zien als opgenomen in de schatkamer van God, de hemel, en het eeuwig leven. De bekroning van ons leven is daar waar we God zelf mogen zien van aangezicht tot aangezicht. We mogen hier al weten dat we kinderen van God zijn door het geloof en de doop. Maar eens mogen we onszelf zien met de ogen van Gods liefde, zoals Hij ons ziet. Dan zullen we ook Hem zien zoals Hij in ons hart gewoond heeft, zoals de Herder die ons leidde. Dan zullen we ook elkaar zo zien.

Onze gestorvenen leven voor God. Ze zijn niet achtergebleven in het graf van voorbij. Ze zijn ons vooruit. We gaan hen tegemoet. Moge die belofte ons aansporen. Als wij ter communie gaan, gaan we hen al tegemoet, want we ontvangen in de communie Christus, dat is Jezus en allen met wie hij verenigd is, dus ook allen die ons al zijn voorgegaan. En vergeten we niet: zij hebben ons in hun hart meegenomen naar de hemel. Zij bidden daar voor ons dat alles wat zij uit liefde voor God en mensen gedaan hebben ons ten goede mag komen, mag beschermen voor het kwade en ook geleiden naar het eeuwige leven.

De hemel hoeft voor ons geen Verwegistan te zijn, geen fantasialand. De hemel is bevolkt met onze geliefden, vrienden, en nog veel meer. Met Jezus als het middelpunt, het eeuwige licht dat allen verlicht. Het is ons thuis. Het is ons eeuwig huis waar we naar op weg zijn, het thuis waar zij met Christus verenigd klaar staan om ons te verwelkomen in de vreugde zonder einde. Amen

(c) Pastoor Martin Los

Homilie op de 29ste gewone zondag door het jaar 18 oktober 2015

Preek op de 29e zondag door het jaar op zaterdag 17 oktober en zondag 18 oktober 2015 in de Mariakerk

Schriftlezingen uit het voorgeschreven universele lectionarium van de R.K. kerk:
1e lezing: Jesaja 53:10-11; 2e lezing: Hebreeën 4:14-16. Evangelie: Marcus 10:35-45

Lieve zusters en broeders “Wie onder u groot wil worden, moet dienaar van u zijn” zegt Jezus.
Lang niet iedereen zal meteen “Ja en Amen” zeggen bij het horen van deze woorden. En nog minder bij de woorden “en wie onder u de eerste wil zijn, moet aller slaaf wezen”.
Waarom stuiten deze woorden bij velen tegen de borst? Dat is niet zo moeilijk aan te voelen. Het is onze eigen borst. We hebben het idee dat als je dienaar bent of nog erger “slaaf” je je vrijheid inlevert. Je maakt je ondergeschikt aan anderen. Je verliest je vrijheid.
Je doet ook afstand van je talenten. Want als dienaar ben je niet meer bezig met de ontwikkeling van je zelf. Als knecht ben je geen baas over jezelf.
Is dat innerlijk verzet tegen opgeven van je vrijheid verkeerd?
Beslist niet. Ieder mens streeft van nature naar vrijheid en ontplooiing. Daar is niets mis mee. Vrijheid is voor de mens wat water voor de vis is. Vrijheid is om zo te zeggen de oertoestand van de mens zoals deze geschapen is naar het beeld van God.
God is volkomen vrij en soeverein. Geschapen naar Gods beeld wil zeggen: vrij, en in de gelegenheid zich helemaal te ontplooien.
Juist doordat de mens zich van God afkeerde is de onvrijheid in de wereld gekomen. Mensen gingen heersen over elkaar. Mannen over vrouwen. Heren over knechten. Machthebbers over hun bevolking. Het ene land over het andere.
Slavernij en overheersing, machtsuitoefening van de ene mens over de andere, is van God uit nooit zo bedoeld. Ze zijn niet natuurlijk, maar onnatuurlijk.

De heersende opvatting bij biologen en economen is dat de sterkste overwint of dat de ene mens ten opzichte van de ander van nature een wolf is.
Daartegenover verkondigt ons geloof dat dit van nature juist niet zo was.
Uitbuiting en overheersing zijn een aantasting van de natuur van de mens en niet het kenmerk.
Trouwens als het erom gaat dat de sterkste overwint? Wie is dan die sterkste? Degene die uit angst heerst of degene die uit vrijheid liefheeft?

Het is dus zeker niet zo dat Jezus met zijn appel aan zijn volgelingen om knecht van elkaar te zijn onvrijheid zou propageren. Jezus maakt ons door zijn dood en verrijzenis vrije mensen. Hij maakt ons door het geloof tot kinderen van God. Hij maakt ons tot een nieuwe schepping.

voetwassing2015 voetwassing2015“Als je echt groot wilt zijn, wordt dan de dienaar van de anderen”.  Met andere woorden:  gebruik je vrijheid om lief te hebben, om elkaar te dienen. Ontwikkel de gaven die je in je hebt, om anderen te helpen.
Er is echt geen sprake van dat Jezus zou bedoelen dat we onszelf zouden moeten kleineren, en dat we onze talenten in de grond zouden moeten stoppen.
Integendeel. Menselijke grootheid komt aan het licht in de liefde tot de ander, in de dienst aan de ander.
Onze talenten komen het best tot zijn recht als we in vrijheid anderen met onze gaven dienen.
Dat houdt ook in: rekening houden met de tekorten van anderen, geduld oefenen, liever onrecht lijden dan onrecht doen.
De bewering van sommige denkers dat het christendom mensen een slavenmentaliteit bij brengt, is volkomen onterecht. Het is bijna mode om te zeggen dat geloof en kerk de vrijheid altijd in de weg hebben gestaan.
Wij staan aan de kant van allen die voor de vrijheid opkomen en voor de mensenrechten. Het Evangelie is de basis voor alle vrijheid zoals wij die kennen.

Maar met alleen maar vrijheid en gelijkheid verkondigen, komen we er niet. En ook met wettelijke maatregelen niet.
Er is meer nodig. Want we leven in een wereld waarin onvrijheid en ongelijkheid heerst. Een wereld waarin mensen over elkaar heersen. We zullen er iets voor over moeten hebben, kleine en grote offers brengen, dus aller dienaar zijn.

Denk bijvoorbeeld aan de kleren die wij kopen. Die worden tegenwoordig gemaakt in arme landen als India. De mensen, zelfs de kinderen daar werken onder erbarmelijke omstandigheden voor een hongerloon en hebben niets te zeggen.
Zouden wij iets meer willen betalen voor onze kleding, dan zouden we al een beetje helpen ongelijkheid te verminderen. Zo zijn er talloze voorbeelden uit de economie.

Denk ook aan de vluchtelingen die voor onze poorten staan. Veel mensen reageren angstig. Bang dat de vluchtelingen banen inpikken, zorgen voor een tekort aan betaalbare woningen, bang voor terrorisme, vreemde godsdienst en cultuur. Die angst moeten we niet ontkennen of wegwuiven. Ze is er.
Wij, mensen, lijken vaak op een kind dat in bed ligt en in het donker schaduwen op de wand ziet, en ineenkrimpt van angst omdat we spoken zien.
Daarom is het nodig dat de overheid vertrouwen wekt en inzicht geeft. Deskundigen moeten de goede informatie geven waaruit blijkt dat angst ongegrond is.
Zorg om de vluchtelingenproblematiek is om allerlei redenen op zijn plaats. Maar angst en angst-verwekken is schadelijk voor iedereen

Angst is een teken van onvrijheid. Jezus roept ons op om niet bang te zijn, maar vol vertrouwen in het leven te staan. Dan zullen we juist kansen zien om vluchtelingen als medemensen te zien en te helpen.
Maar ook dichtbij huis in onze gezinnen en families zullen we als we echte vrije mensen beter in staat zijn geduld te hebben met de tekorten van elkaar. Wat stelt een huwelijk, een gezin, een familie voor als je bijvoorbeeld niet de vrijheid voelt om elkaar te vergeven.

Gebonden aan angst zien we alleen moeilijkheden. Als vrije mensen zien we kansen. Als we onszelf op de voorgrond zetten, zullen we altijd angstig zijn. We zien dan anderen alleen als concurrenten of als ondergeschikten.
Maar als we vrij zijn om ruimte te geven aan de ander, zullen we de talenten en de gaven van de ander zien. Dan zullen we hulp durven geven en hulp durven ontvangen.

Belangrijk is dat we dat niet met tegenzin doen. We mogen met vreugde onszelf inzetten voor de ander. We mogen ontdekken dat we juist zo echt genieten van het leven, en dat we juist zo tot volle ontplooiing komen.
Het is onwaar dat die mens het meest vrij is die over anderen heerst.
Het is onwaar dat die mens het meest compleet is die geen anderen nodig heeft.
Vrij is degene die kan liefhebben en die het leven mooi maakt voor anderen en met anderen. We hebben een uniek voorbeeld in onze Heer Jezus Christus zelf die ons door zijn liefde verlost heeft. Moge Hij ons altijd voor ogen staan en ons steeds meer vreugde en vrijheid schenken hem te volgen. Amen

(c) pastoor Martin Los