verlangen laat zich niet kooien

Preek op de 28ste zondag door het jaar in de Willibrordkerk 8 en in de Mariakerk op 9 oktober 2016

Lieve zusters en broeders, een groep van tien melaatsen komt Jezus tegemoet maar ze blijven op grote afstand staan. Ze schamen zich voor hun aangevreten ledematen en geschonden gezichten. Dichterbij komen mogen ze niet. Ze zijn verbannen uit de samenleving. Vreemdelingen in hun eigen omgeving. Toch overbruggen ze de afstand. Op de enige manier waarop dat kan. Met hun stem: “Jezus meester, eleison, ontferm u over ons!” ***)
We roepen aan het begin van elke eucharistieviering ook: “Kyrie eleison”. We ontmoeten God. Maar lijken we daarin niet een beetje op die melaatsen. Zouden we niet allemaal soms even weg willen kruipen vanwege de dingen waarvoor we ons schamen? Ook voelen we de nood en de wanhoop van de eenzamen, armen, de vluchtelingen, en al degenen die het gevoel hebben dat ze buitengesloten zijn, dat ze er niet toe doen. We scharen ons ook achter hen en roepen met hen uit: Kyrie eleison, Heer, ontferm u!
We doen dat elke keer opnieuw omdat we geloven dat er één is die het roepen hoort. Die ene is God.
Geloven is schaamteloos alle óngeloof overboord gooien, alle maatschappelijk stigma’s – wat anderen van je denken en je voorschrijven – afwerpen, afstanden overbruggen en roepen: “Heer, ontferm U. Christus, ontferm U, Heer, ontferm U”. Geloven is ook alle zelfverwijten vergeten en uit diep verlángen naar echt léven roepen: Heer, ontferm U over mij!”
Soms denk ik wel eens dat wij dát roepen verleerd hebben. Deels omdat we menen God niet meer écht nodig te hebben. Alsof God iets is van vroeger toen de mensen nog niet zoveel wisten als wij. Wij moeten het nu zelf oplossen. Deels hebben we het roepen verleerd omdat we denken dat toch niemand ons hoort. Dat het geen zin heeft. Dat je je belachelijk maakt. Dat je gestoord bent. Een normaal mens doet zo iets niet: luidkeels roepen, je longen uit je lijf: “kyrie eleison!
therefugeeToch is dat wat de melaatsen deden. Hun diep verlangen – onderdrukt door zovele vooroordelen en gewoontes – dat diepe verlangen naar echt leven, vocht zich door alle reserves een weg naar buiten op het moment dat ze Jézus zagen.
Schoten ze daar iets mee op? Jezus zei: “ga je aan de priester laten zien”. Stuurde hij hen daarmee niet met een kluitje in het riet? Waaróm moesten ze zich aan de priester in de tempel laten zien? Omdat dat stond in de wet van Mozes: “Als je genezen bent, ga dan naar de priester”. De tempel was het heiligdom. Daar mochten ze helemaal niet komen met hun gevlekte huid, aangevreten neuzen, stompjes van vingers. Maar tellen voor God niet alle mensen mee? In de tempel zouden ze alléén welkom zijn als ze genezen waren. “Ga je laten zien aan de priester” kon alleen maar betekenen: dat ze dan genezen zouden zijn. Ze gingen. Zonder enige zekerheid. Ze hadden alleen geroepen “Heer, ontferm U”. En ze hadden die vreemde opdracht van Jezus. Maar ze gingen op weg. “En onderweg werden zij genezen” vertelt Lukas.
Roepen vanuit nood en vervreemding en op weg gaan met de belofte van Jezus zonder nog iets te zien. Dát is geloven. Dáár gebeurt iets. Daar ontdekken mensen dat ze niet meer buitengesloten zijn. Daar worden mensen weer nieuw. Daar ervaren we dat we voor God ertoe doen, wat iedereen er verder van mag denken, de wereld om ons heen, maar ook alle tegenstemmen in onszelf.
De apostel Paulus drukt deze kracht van het geloof nog een keer Timotheus op het hart. Timotheus, zijn leerling, zijn geestelijke zoon en erfgenaam. Hij zegt: “zo luidt de boodschap die ik verkondig en waarvoor ik zelfs als een misdadiger in gevangenschap te lijden heb. Maar het woord van God laat zich niet in boeien slaan” **)
Déze twee laten zich nooit het zwijgen opleggen. De kreet van mensen die roepen om ontferming. En het woord van God dat zich niet in boeien laat slaan.
We kunnen onze oren dichtstoppen voor de kreet van mensen. We kunnen mensen zeggen dat ze niet zo’n kabaal moeten maken. Maar de kreet zal doorgaan. Altijd. En het woord van God zal steeds weer opnieuw klinken. Al verklaart men dat God dood is, dat geloof achterhaald is, het Evangelie van Jezus klinkt steeds opnieuw om mensen in beweging te brengen en te helen waar mensen hem ontmoeten.
Om dat te zien moeten we zelf ook oog hebben voor mensen die zich schamen voor hun nood, hun verleden, hun armoede, hun eenzaamheid en vervreemding net als Jezus.
Wanneer we hen met hun gebrek zien staan, en hen als kinderen van God zien, zullen we hen niet de rug toe keren en roepen “Ga weg. Houd afstand”. We zullen ons over hen willen ontfermen. Dan gaan we weer ervaren hoe bevoorrecht en gelukkig we zijn dat we zelf door het geloof in Jezus kinderen van God mogen zijn. Het geloof zal weer levend voor onszelf worden.
Slechts één van de melaatsen keert terug toen hij zag dat hij genezen was en verheerlijkte God. Met diezelfde stem waarmee hij eerst luid “Kyrie leison. Heer, ontferm U” heeft geroepen” en met diezelfde intensiteit verheerlijkt hij nu God en roept: “Eer aan God in de hoge”.
Zo is ook de liturgie van de kerk: op het “Heer, ontferm U” volgt het “eer aan God in den hoge”. Het loopt vervolgens uit op het grote dankgebed van de eucharistie: dank dat we als smekelingen deel mogen hebben aan het goddelijk leven. Dat we er bij mogen horen, bij God en bij elkaar. Wie we ook zijn.
Jezus is oprecht verwonderd dat niet alle tien melaatsen zijn teruggekeerd om God te danken. Alleen de ene van wie je dat het minst had verwacht, een vreemdeling, net als die Syriër Naaman *) die een vracht aarde wilde meenemen uit Israël om thuis daarop neer te knielen voor God.
Voor Jezus geen reden om ermee op te houden. Hij kijkt niet naar het getal. Het Evangelie is niet aan cijfers af te meten. Geloof is geen zaak van statistiek al heft zelfs onze kerk een bureau voor de statistiek. Geloof is geen zaak van kwantiteit.  Die ene telt voor Jezus. die ene die we zelf zijn. Die ene die de ander is. Laten ook wij gewoon leven vanuit het geloof dat alles doorbreekt en alles overwint. En God daarvoor danken. Dat is echt leven zoals alleen God het geven kan. Dat kan geen macht ter wereld tegenhouden als we dat eenmaal gezien en geproefd hebben. Geloof is verlangen naar God. Maar het is ten diepste vooral ook verlangen van God naar ons. Amen

(c) pastoor Martin Los
Schriftlezingen voor deze eucharistie op de 28e zondag door het jaar volgens het universele lectionarium van de r.k. kerk.
*) 1e lezing 2 Koningen 5:14-17 **) 2e lezing 2 Timotheus 2:8-13 ***) Evangelie: Lucas 17:11-19

Geloof is niet om je voor te schamen

Preek op de 27ste gewone zondag door het jaar 2 en 3 oktober 2016 Mariakerk en Willibrordkerk

Lieve zusters en broeders, “Heer, geef ons meer geloof” ***) zeggen de leerlingen tegen Jezus. Het zou ook ons eigen verzoek kunnen zijn. Wie voelt zich soms niet ongemakkelijk bij de eigen matheid in het persoonlijke geloofsleven. Wie vraagt zich niet regelmatig af of het eigen geloof toereikend genoeg is voor de toekomst van het eigen ouder worden, of het vitaal genoeg is voor de toekomst van de wereld, of van de kerk.
“Heer, geef ons meer geloof” is niet zo’n vreemd verzoek. Toch lijkt Jezus zijn leerlingen in zijn reactie niet erg tegemoet te komen: “Als je een geloof zou hebben als een mosterdzaadje en je zou tegen deze moerbeiboom zeggen, maak je wortels los uit de grond en plant je in de zee, hij zou u gehoorzamen” ***). Het gaat er niet om hoe groot je geloof is, maar dat je er iets mee doet. Als je maar aan de slag gaat met het geloof dat je hebt – hoe schamel in eigen ogen misschien – hoef je nooit bang te zijn dat je geloof tekortschiet. Eerder zal je dingen kunnen bereiken die je nooit voor mogelijk had gehouden, deuren zien opengaan, of vensters en vergezichten.
We zijn vaak geneigd naar anderen te kijken, mensen die in onze ogen een voorbeeld zijn van gelovig leven. Mensen waarvan je kunt zien dat hun hart klopt van liefde voor God. Christenen die zich helemaal inzetten voor hun naaste. Hoe verleidelijk is het dan niet om te denken: “ja, als God mij zo’n geloof had geschonken, dan zou ik ook wel vuriger kunnen bidden, en dan zou ik ook wel minder tijd verbeuzelen met nutteloze dingen, en dan zou ik ook wel gemakkelijker iets over hebben voor een ander”.
Eigenlijk beklagen we ons op die manier bij God dat hij ons te weinig geloof heeft geschonken. Voor je het weet kruipen we  – helemaal volgens de mode van deze tijd – in de rol van slachtoffer: “ik kan er ook niks aan doen dat ik moedeloos ben geworden, of zo gereserveerd of zo weinig voor anderen over heb. Had God mij maar een groter geloof moeten schenken. Of een betere kerk. Of een aansprekender bisschop, of geschiktere vrienden, of een gemakkelijker leven”.
Kijken we even naar de profeet Habakuk *). Hij klaagt, Hij ziet enkel ellende om zich heen. “God, waar bent u nu?“ verzucht hij. “Geef het wachten niet op” krijgt hij te horen “het visioen wat Ik je gegeven heb, komt uit”. Geduld oefenen is een belangrijke vorm van geloof, van trouw.
Jezus opent zijn leerlingen de ogen ervoor dat je niet moet denken dat je te weinig geloof hebt gekregen. Geloof is geloof. God vraagt niet van je om te geloven als Moeder Theresa van Calcutta die begin september heilig verklaard is. Hij vraagt niet van je om te geloven als je grootvader die een bijzonder vroom leven leidde. Kijk niet naar anderen, maar naar jezelf, naar je eigen geloof. Al is dat nog zo schamel, dan is dat voor jou op dit moment in jouw situatie genoeg. Wees daar dan gelukkig mee. Ga daar dan mee aan de slag.
shamebysharonmonagleSchaam je niet voor je geloof **)” zegt Paulus tegen Timotheus alsof het te klein is, alsof het iets is waarvoor je je zou moeten generen. Je staat niet voor gek.
Hoeveel christenen worden niet gehinderd door deze gedachte, dat het eigen geloof te weinig voorstelt, en dat de kerk in deze tijd te weinig voorstelt. Hoeveel medechristenen laten het er daarom misschien niet bij zitten? Niet omdat zij geen geloof hebben ontvangen. Maar omdat zij zich schamen voor hun geloof. Die schaamte ligt als een meeldauw over ons hedendaagse christendom. Maar er is niets om ons voor te schamen.
Op onze vraag: “Heer, geef ons meer geloof” antwoordt Jezus: “hou eens op je voor je geloof te schamen, dan zal je onmiddellijk ervaren dat je geloof genoeg is om het met Mij in alles te wagen. Schaamte maakt ons geloof futloos.
Dan is er nog een gevaar dat op de loer ligt. Het tegendeel van schaamte. Behoefte aan comfort en dat geloof geen inspanning mag kosten. Wat je dan vergeet is, dat geloof allereerst een werkwoord is. Je moet ermee aan de slag gaan. Daarom zegt Jezus tot slot: “Als je alles wat je is opgedragen gedaan hebt, zeg dan: wij zijn gewone knechten. We hebben alleen maar onze plicht gedaan” ***).
Geloof gaat niet zonder moeite. Wie verlangt te geloven zonder enige inspanning, wordt gemakzuchtig. We vragen dan: “Heer, geef ons meer geloof” maar in feite vragen we niet om meer geloof, maar om meer gemak. Tegen deze verwennerij waarschuwt Jezus. De echte voldoening van het geloof ligt in het doen.
Laten we ons niet schamen voor ons geloof, dan zullen we ervaren dat het genoeg is, vol hoop en ijver uit te leven. En laten we geloof niet gelijkstellen aan iets dat vanzelf zou gaan.
Ik ziet het voor me: dat we vandaag allemaal een moment voor onszelf nemen. Dat we dan naar ons geloof kijken. Zonder schaamte en zonder gemakzucht. Wat zullen we daar dan een verborgen schat ontdekken, een wonder van vertrouwen, van kracht, dat prachtige kindschap van God dat niemand ons af kan nemen. Paulus besluit zijn raad aan Timotheus met de woorden. “Bewaar de u toevertrouwde schat met hulp van de Heilige Geest die in u woont” **). Weg schaamte! Weg gemakzucht! Gewoon aan de slag. Trots en ondernemend. Al is ons geloof zo klein als een mosterdzaadje het is genoeg om wonderen te verrichten. Wonderen van “kracht, van liefde en van weten wat je te doen staat**)”. Amen

(c) Martin Los
Voorgeschreven Schriftlezingen voor deze zondag volgens het universele r.k. leesrooster
*) 1e lezing: Habakuk 1:2-3; 2:2-4
**) 2e lezing: 2 Timotheus 1:6-8,13-14
***) Evangelie: Lucas 17:5-10