De Iftar en Antonius

De zon zou over een half uur ondergaan. Het is Ramadan voor de moslims onder ons. Nog even dan kunnen de knorrende magen gerustgesteld worden met oogstrelende en smakelijke halal hapjes. Weer een vastendag voorbij. Tijd voor de Iftar, het ontbijt in de avondschemering.
Deze zaterdagavond heeft het bestuur van het Islamitisch Centrum bij ons in de buurt een maaltijd belegd voor de hele gemeenschap. Er zijn gasten uitgenodigd. Ik behoor ook tot de genodigden. Omdat dit mijn eerste Iftar is heb ik mijn vrouw gevraagd mee te gaan om deze bijzondere ervaring te delen. Het is een mooie zomeravond met een blauwe hemel die met de ondergaande zon een Oriëntaalse sfeer oproept. We nemen de fiets om extra van dit moment te genieten.
Vol verwachting gaan we op weg. Het water van de Leidsche Rijn waar we langs fietsen, is een onbewogen spiegel waarin de blauwe hemel een laatste blik slaat voordat de schemer neerdaalt. Nog een halve kilometer dan zijn we bij het Islamitische Centrum dat door mannen en vrouwen van voornamelijk Marokkaanse afkomst bezocht wordt maar van wie de meesten in Nederland geboren en getogen zijn.
Dagelijks rijd ik langs dit gebouw dat met zijn okergele stenen muren en groene daken een aangename rustgevende indruk maakt. Houtsnijwerk als een soort vitrage voor de hoge ramen van de grote gebedsruimte binnen in, onthult aan de voorbijgangers iets van de mystieke betekenis van het gebouw.
Als we de Meernbrug overgaan zie ik in het plantsoen naast de statige Marekerk Wouter de Heus staan. Ik herken hem meteen aan zijn grijze krullen, opvallende bril en zijn speurende blik.  Hij is in gesprek met twee mannen waarvan één met een uitbundige witte haardos en scherpe groeven in het gelaat een fototoestel in de hand heeft. Wouter is journalist. Amicaal in de omgang. Maar waar hij verschijnt werpt de krant van morgen al zijn schaduw vooruit. Recht voor zijn raap schrijft Wouter in de krant wat hij aan misstanden of politieke rariteiten tegenkomt.
‘Hé, dag Wouter!’ roep ik hem toe. Vagelijk vraag ik me af wat hij op de late uur op dit grasveld doet. Er staat een graafmachine die in de afgelopen dagen wat boomwortels heeft verwijderd. Hier op de hoek naast de kerk moet binnenkort een echt dorpspleintje komen.   Mijn vrouw fietst een paar meter voor me. In gedachten verheug ik me al op de Iftar en de ontmoeting met allerlei mensen, het bestuur en de andere genodigden. ‘Dag, pastoor!’ roept Wouter terug. Hij knikt naar zijn twee metgezellen als een teken dat wij elkaar kennen. De fotograaf fluistert hem iets toe.
‘Pastoor, wacht even! Hebt u even tijd?’ Ik stap af en roep mijn vrouw toe even te wachten.
‘Weet u of hier een begraafplaats is geweest?’ vraagt Wouter.
In zijn hand houdt hij een gebroken stuk bot, bruin en dof. ‘Mijn buurman hier heeft vanmiddag allerlei botten en schedels hier gevonden. Ze zijn bij  de graafwerkzaamheden gisteren aan het licht gekomen’
Nu begrijp ik waarom Wouter hier op dit late uur rondsnuffelt. Hij is geen misdaad op het spoor, maar wel iets dat de lezer van zijn krant met de wenkbrauwen zal doen fronsen. Menselijke restanten die hier in het weekend uit de grond steken zonder dat hekken om het terrein geplaatst zijn, riekt naar onzorgvuldigheid van de kant van de aannemer of de ambtelijke instanties. Ik zie het artikel van Wouter al in de krant staan. ‘De kerk die hier nu staat, is honderdjaar oud’ antwoordde ik. ‘Daarvoor stond hier een ouder kerkje. Tot aan het begin van de negentiende eeuw begroef men de doden in en om de kerk’
‘Ja’ legde de man met de witte haarbos uit ‘die kerk stond loodrecht op de as van de huidige kerk’ ‘Dat kan kloppen, want kerken werden vroeger in Oostelijke richting gebouwd’ beaamde ik  ‘In elk geval stond hier voor de Reformatie al een kapel’
‘Er liggen ook een aantal stenen, kloostermoppen. Die zijn ongetwijfeld van die oude kerk’ voegde de fotograaf toe ‘Misschien zijn deze botten ook wel eeuwenoud’ opperde Wouter.
‘Stel je voor dat ze van voor de Reformatie zijn, toen de kerk in ons land nog één en ongedeeld was’ zei ik tegen het drietal, samen verzonken in gedachten aan de late Middeleeuwen. Zo afdalend in het verleden vergat ik zelfs even dat ik op weg was naar een Iftar.
‘Ik hoop dat de werkzaamheden opgeschort kunnen worden en dat de stadsarcheoloog verder onderzoek zal gaan doen’ voegde ik toe.”
‘In elk geval moeten we de wethouder waarschuwen dat deze situatie onhoudbaar is. Ze moeten zo snel mogelijk hekken om de omgewoelde grond zetten’ zei Wouter ‘je moet er niet aan denken dat deze botten van je overgrootouders zijn’
‘De toon voor een column of artikel in de krant is gezet’ dacht ik
Toen ik opkeek zag ik honderd meter verderop mijn vrouw staan met haar fiets. Ze zwaaide met haar arm. Op haar lippen kon ik lezen: ‘Kom je nou?’
Ze had natuurlijk geen idee waarom ik met die drie mannen stond te praten.
‘Heren, ik moet er echt vandoor. We zijn op weg naar de Iftar van het Islamitische centrum verderop. Nog even dan is de zon onder en dan gaan we aan tafel. Succes met je artikel, Wouter’.
‘Wie waren dat?’ vroeg mijn lieve metgezel terwijl ze weer op de fiets stapte. ‘Dat was Heuswaar, een journalist van het Algemeen Dagblad. Ach, nee, sorry. Dat is zijn twitternaam’ verbeterde ik mijzelf ‘in het echt heet hij De Heus’. Ik praatte haar bij over Wouter en zijn ontdekking bij de kerk.
Bij het Islamitisch Cultureel Centrum Leidsche Rijn zetten we onze fietsen tegen elkaar. Onafscheidelijk verstrengeld met één kettingslot. We werden heel vriendelijk ontvangen door mannen in gebedskleding.
Rondom het gebouw van het ICCLR stond buiten een menigte aan tafels en witte plastic stoelen. Wat een geluk dat het mooi en droog weer was. Op elke tafel flesjes water en mandjes met stukjes stokbrood, en een brandende kaars in een papieren zak waarin vensters geknipt waren. De jongeman die ons verwelkomde leidde ons naar de tafels. Ik herkende andere genodigden zoals een wijkagent in burger en de rector van een College in de buurt. Iedereen stond nog met elkaar te praten want de zon was nog niet onder.
“Mag ik u naar het gedeelte van de vrouwen begeleiden?” zei de vriendelijke jongeman tegen mijn vrouw. Ineens realiseerde ik me dat we er geen rekening mee hadden gehouden dat vrouwen en mannen gescheiden zitten in deze gemeenschap. Ze reageerde welwillend.
“Nou, tot straks” zei ze laconiek tegen me. Verderop zag ik de tafels met allemaal jonge vrouwen met hoofddoekjes en kleurige gewaden. Vanuit de verte zwaaide ze nog even. Ze nam plaats bij een aantal vrouwen met wie ze met een in gesprek raakte. Later vertelde ze me dat de vrouwen allemaal perfect Nederlands spraken. Ze waren heel vriendelijk geweest. Ze hadden haar ook even de gebedsruimte voor de vrouwen laten zien toen ze daar een kort gebed voor de maaltijd baden.
Zelf zat ik aan een grote tafel ronde tafel met negen personen, moslims en niet-moslims. Ook een vrome vader van elders met twee tieners. Vrijwilligers droegen schalen met hapjes aan. We begonnen met kekererwtensoep. Het was een hartelijke sfeer. Ik had niet anders verwacht natuurlijk. Samen de maaltijd houden, verbindt. Dat is de bedoeling van de Iftar.
Na anderhalf uur brak het uur van het avondgebed aan. De tafelgenoten begaven zich naar de gebedsruimte. Met de andere  genodigden bedankte ik de organisatoren voor de gezelligheid. Ik zocht mijn vrouw op die met de rug naar mij toe gekeerd nog zat te praten met een jonge moslima.
‘Ga, je mee?” voeg ik haar ‘want ze gaan nu allemaal naar binnen om te bidden’. Ik zag dat ze het naar de zin had gehad. Dat we niet bij elkaar hadden kunnen zitten, had haar helemaal niet gestoord.
‘Weet je nog, vroeger bij ons thuis’ zei ze met een glimlach ‘dat op een verjaardag van mijn ouders de vrouwen in de voorkamer zaten en de mannen in de achterkamer? Dat is nog maar een halve eeuw geleden’.
Het was donker geworden. Door de lege stille straat fietsten we terug naar huis. Ieder vol van de eigen gedachten, innerlijke beelden, en verzadigd van de maaltijd, het voedsel en de gesprekken. Toen we de kerk passeerden zagen we niemand meer. Het donker was neergedaald over de vermoedelijke kleine begraafplaats die hier ooit geweest was.
In gedachten zag ik Wouter in een verlichte huiskamer in Leidsche Rijn achter zijn laptop met muziek van zijn geliefde band uit de jaren tachtig uit de boxen.  Wat hij schreef zou natuurlijk de nodige stof doen opwaaien bij de betrokken instanties en bewoners van De Meern. Ik voelde met hem mee. Je wil zoveel aardige dingen schrijven als journalist, maar je stuit steeds weer op allerlei ongerechtigheden zoals vandaag menselijke botten die bij graafwerkzaamheden bloot komen te liggen zonder dat iemand er naar om kijkt.
We dronken thuis nog een glas wijn ter afsluiting van deze wonderlijke avond. Bijna sprookjesachtig vanwege de Iftar en spookachtig vanwege de bottenberg onderweg. Wat een toevallige samenloop.
Op weg naar de betekenisvolle maaltijd met mensen van een andere religie om onderlinge vrede en goede wil te vieren, waren we gestuit op de resten van een oud vergeten kerkhof dat een verleden oproept van de ene kerk die er vijfhonderdjaar geleden nog was. Christenen zijn daarna verdeeld geraakt en gunden elkaar vaak het licht in de ogen niet. Gelukkig is dat nu totaal veranderd. We moeten steeds weer bruggen bouwen in plaats van muren optrekken.
Met het glas wijn in de hand mijmerde ik wat over het nieuw te maken dorpsplein op de plek van een voormalig kerkhof. In Maastricht zitten mensen op terrassen op het Vrijthof. Andre Rieu organiseert daar elk jaar een muziekfeest dat we op de televisie kunnen volgen. Utrecht heeft zijn bekende Janskerkhof waar je gezellig kunt zitten. Zoals de wijn over mijn tong gleed proefde ik de namen ‘Hofplein’ ‘Oud-kerkhof’. Ik stelde me de zitjes voor op het nieuwe dorpsplein in de zon tegenover de Meernburg met een concert van de Bazuin of de Vleutense Harmonie.   Het proeven van deze namen smaakte naar meer.
Voor de reformatie hadden alle kerken en kapellen een naam, die van de patroonheilige van de kerk. Naar wie was de kapel die bij de Meernburg stond, genoemd? Ik stuurde een mailtje naar Ton van Schaik, historicus, aan de Groenedijk geboren.
‘De kapel die er in elk geval in 1480 al stond, behoorde tot de Oud-munster van Utrecht, de H. Salvator. Ze is genoemd naar H. Antonius de Grote, gestorven op 17 januari 365 in Egypte’ mailde hij terug de volgende dag.
Natuurlijk had ik altijd al geweten dat daar vroeger een kapel had gestaan, maar ik had me nooit afgevraagd of de kerk een naam had gehad. Dus de Marekerk staat op de plaats van wat ooit de H. Antoniuskerk was.  Het kerkhof is het kerkhof van de Antoniuskerk. Genoemd naar dezelfde patroon naar wie het grote nieuwe ziekenhuis in Leidsche Rijn is genoemd. Zou het niet mooi zijn, dacht ik, als het nieuwe dorpsplein, door zijn naam herinneringen oproept aan de tijd dat christenen nog niet gescheiden waren geraakt.
De naam Antonius herinnert ook aan de maatschappelijk zorg van de kerk toen. Want zorg voor de behoeftigen was een belangrijke taak. Op de dag van H. Antonius, 17 januari, werd brood uitgedeeld aan hen die een steuntje in de rug konden gebruiken. Ton van Schaik vertelde verder dat de Hervormde Gemeente deze Antoniusbrooduitdeling nog een tijd heeft voorgezet tot er eigentijdere vormen van ondersteuning voor in de plaats waren gekomen.
Vieren we binnenkort gemeenschappelijke momenten van de Meernse gemeenschap in de Antoniushof of het Antoniusplein? Mensen van alle geloven en culturen? ‘Antoniuskerkhof’ zei ik een paar keer hard op om te horen hoe dat klonk. Ik probeerde ‘Antoniushof’. Of misschien ‘Antoniusplein’? Ineens begint het nieuwe dorsplein voor me te leven.
Ik besloot deze merkwaardige avond met een inspirerende gedachte. Want de Iftar is oorspronkelijk toch ook bedoeld als maaltijd waarop degenen die in overvloed leefden hun arme medemensen aan tafel nodigden. Iftar en Antonius hebben heel veel met elkaar te maken. H. Antonius verdeelde al zijn bezit onder de armen en behoeftigen om zich helemaal aan contemplatie en gebed te wijden. Stel je voor dat het nieuwe dorpsplein naar Antonius genoemd zou worden. Dan zouden de gemeenschappelijke wortels van alle christenen in De Meern weer zichtbaar worden. Op die manier zou de ontdekking van verwaarloosde oude botten in een plantsoen op weg naar een Islamitische zou maaltijd misschien een heilzaam gevolg hebben. Ook zou zo recht worden gedaan aan de overblijfselen die gevonden zijn, uit welke eeuw dan ook
Ik hoor het de chauffeur van lijn 28 bij de Meernbrug al zeggen: Halte Antoniushof.

© Martin Los

Zonder rolkoffer

Op mijn eerste lentewandeling liep ik door het centrum van Utrecht. Tegen de strakblauwe lucht staken de gebouwen scherp en zelfbewust af. Mijn wandeling voerde door een ogenschijnlijk labyrint van hofjes tussen de Springweg en de Oude Gracht. De stilte werd doorbroken door een klas uitgelaten kinderen die zich met narciskleurige hesjes door de hofjes een weg terug baanden naar hun buurtschool. Hun kinderenstemmen weerkaatsten tegen de oude grotendeels Middeleeuwse gebouwen in de zon. Het geluid verstomde toen ik de hoek omsloeg. Tot mijn eigen verrassing stond ik in de nauwe Brandstraat.
Een licht gevoel van opwinding ging door me heen. Daar waar de steeg uitkomt op de Oudegracht heeft het huis gestaan waar de Nederlandse paus Adrianus VI het levenslicht aanschouwde. Dat had ik onlangs gelezen in een nieuw boek over hem. Adriaan Floriszoon Boeijens werd op 2 maart 1459 geboren als zoon van een scheepstimmerman. Misschien was de werkplaats van zijn vader wel een werfkelder aan de gracht. Het huis zelf bestaat allang niet meer maar de fundamenten en de kelders hebben de eeuwen doorstaan. Het bescheiden perceel is opgenomen in het pand dat op de hoek staat. Een voormalige school voor meisjes. In de steeg is niet meer te zien dan een lange muur met hoge vensters en lantaarns. Met mijn vingertoppen streek ik langs de bakstenen uit veel later tijd die als korrelig schuurpapier mijn verbeelding prikkelden.
Meer dan vijf eeuwen scheiden ons. Maar de tijd lijkt even afwezig in de stilte van de verlaten donkere steeg.
Als ik de Brandstraat uitkom zie ik een lange man op de stoep van de Oudegracht staan tegenover de statige grachtenhuizen. De smeedijzeren reling van de diepe gracht achter hem. In zijn donkerblauwe geklede jas en shawl maakt hij de indruk niet helemaal voorbereid geweest te zijn op deze stralende dag. Alsof hij uit een land komt waar de lente nog niet op de deur heeft geklopt. Hij kijkt naar het hoekpand waar een kleine roodbruine gedenkplaat vertelt dat Adriaan hier geboren is. In zijn handen een kaartje van het centrum van Utrecht. Ik ben kennelijk niet de enige die geïnteresseerd is in de Nederlandse paus en met eigen ogen zijn geboorteplek wil zien.
Waar hij staat is de ideale plek. Met één blik op de Brandstraat en het hoekpand aan de Oudegracht waar in de vorige eeuw een school gevestigd was. Op gepaste afstand alsof er een onzichtbare rode streep getrokken is, blijf ik staan om mijn beurt af te wachten. Intussen maak ik met mijn IPhone een foto van de opening van de steeg. De man maakt geen aanstalten om door te lopen. Ik steek de weg over en lees wat er op de bescheiden gedenkplaat staat te lezen. Er staat geen informatie op die ik niet ken, maar om tijd te rekken doe ik alsof ik heel aandachtig wat er staat, in me opneem. Als ik me omkeer staat mijn medebewonderaar van paus Adrianus nog altijd als het ware aan de grond genageld. Ik loop terug naar de reling. Ik zie dat hij grijze stoppels rond zijn kin heeft. Zijn zachte blauwe ogen kijken mij aan. Hij heeft geen kaart van Utrecht meer in zijn hand maar een A4tje met geprinte tekst.
“Do you speak English?” zei hij terwijl hij een stap in mijn richting deed. “Or do you at least unterstand me?”
Ik knikte bereidwillig. Gezien mijn priesterboord en de plek waar deze ontmoeting plaatsvond was ik overtuigd dat zijn vraag onze gezamenlijk belangstelling betrof: Adrianus. Internationale zelfs.
“I tried this number” – met zijn wijsvinger wees hij een telefoonnummer op zijn papier aan – “but is doesn’t exist”.
Voor me zag ik midden op een pagina tekst waarvan de inhoud zich discreet aan mijn ogen onttrok, een mobiel nummer dat begin met +316. Plotseling drong het tot me door dat de man om een heel ander reden dan ik hier stond op deze unieke historische plek. Nu viel me zijn rolkoffer op. Gisteravond had Arjen Lubach in Zondag met Lubach aandacht gevraagd voor de overlast die Airbnb veel steden bezorgde. Nu stond ik oog in oog met een verdwaalde Schot die bij gebrek aan een officieel hotel met een receptiebalie mijn hulp inriep.
“ik dacht dat u hier stond te kijken naar de geboorteplaats van de enige Nederlandse paus uit de geschiedenis” zei ik in het Engels.
Hij keek mij niet begrijpend aan. “Dutch pope?”
“Ja, de laatste voor John Paul II uit Polen. Tijdens het begin van de Reformatie. Een hectische tijd. Adrian VI was born right here. ”
Het was alsof hij een UFO voorbij zag komen.
Hij wilde niet onbeleefd zijn, maar zijn vinger ging opnieuw naar het +31 nummer.
“Ziet u iets dat niet klopt?”
Ik telde het aantal cijfers. +316 met acht cijfers telde ik in het Engels. “Nee, het aantal cijfers klopt” antwoordde ik.
Hij sloeg even zijn ogen ten hemel. Dacht hij nu toch even aan Adrianus?
“Welke provider heeft u? Een buitenlandse?” vroeg ik “From your own country?”
Hij toonde me zijn mobieltje. Links bovenin het scherm las ik t-mobile.
“Deze provider heeft bereik hier” sprak ik hoopvol voor hem. “Misschien moet u het toegangsnummer voor Nederland achterwege laten”.
Zonder aarzelen toetste hij met zijn vinger het 06-nummer is zonder +31. Hij hield zijn toestel aan bij zijn rechteroor. Een glimlach verscheen op zijn gezicht. Hij had eindelijk contact met degene die voor hem de deur van zijn Airbnb appartement zou openen.
Ik bleef nog even staan. Zou hij me vragen om even te wachten tot zijn telefoontje voorbij was, om iets meer te weten te komen over onze paus Adrianus?
Het was ijdele hoop. Hij groette me met een knikje alsof ik niet een reddende engel was geweest, maar slechts een bediende aan wie je iets vraagt en dan wegzendt. De vreemdeling baande zich, nog steeds in gesprek met de beheerder van zijn kortstondige appartement, een weg de Brandsteeg in waar Adriaan Floriszoon als kind gespeeld had. Hij toonde geen enkele interesse in die unieke Utrechtenaar die het ooit tot zijn eigen verbazing en zonder enige ambitie van zijn kant geschopt had tot het hoogste ambt in de wereld, zeker in die tijd.
Ik ging op de plaats van de man staan. Helemaal alleen nu. Ik verbeeldde me dat ik kinderstemmen hoorde uit een ver verleden. Maar op een plaats als deze is het verleden nooit ver. Tenminste als je niet van hot naar her met een ratelend rolkoffertje onderweg bent.
Even later liep ik voorbij een plein met terrassen. Er was geen stoel onbezet vanwege het mooie lenteweer. De meesten waren vrienden, en meer nog vriendinnen, die gezellig een biertje dronken. Anderen zaten met een laptop voor zich als flexplek.
Op de eerste stoel op de hoek van het terras waar ik voorbij liep, zat een jongeman gebogen over een boek. Roodharig. Een geruit overhemd en spijkerbroek. Hij nam een slok van zijn bier. De enige drank die in de tijd van Adriaan Floriszoon betrouwbaar was. Vandaar lang geleden de vele brouwerijen aan de Oudegracht. De jongeman hield het boek in zijn andere hand. De duim tussen de bladzijde waar hij gebleven was. Daardoor kon ik de omslag zien. “Practical theology” las ik.
“Wat lees je?” wilde ik vragen. Maar ik wilde hem niet storen. In gedachten verzonken liep ik verder. Van al die jonge mensen trof ik uitgerekend een jonge onbekende theologiestudent. Wat zou er van hem worden? Je weet het maar nooit. Niet waar, Adriaan?

© Martin Los