Een juweel in de wachtkamer

Ik nam plaats in de grote wachtruimte van het ziekenhuis bij ons in de buurt in afwachting van het moment waarop mijn naam zou worden afgeroepen. In gedachten vormde ik me al een echo van de klank die binnenkort zou klinken: mijnheer Lossss…….
Er was nog een flink aantal anderen voor mij. Hoeveel was niet duidelijk. Het leek wel spitsuur. Ik keek om me heen. Daar zag ik een man hulpeloos zoeken:  waar was Balie 3?  Het nummer van zijn volgbeurt was met de aanduiding Balie 3 geprojecteerd op een scherm aan de wand. Hij keek om zich heen. Omdat ik even tevoren in zijn schoenen had gestaan, en zijn verwarring begreep, stond ik op om hem te helpen.
Drie medewerksters zaten op een verhoging achter een soort toonbank. Was dat de Balie? Voor bezoekers lag dit niet zo voor de hand. Bovendien waren de cijfers 1,2 en 3 aan de voorkant op dat moment door de drukte onzichtbaar. De rij bezoekers die in gesprek waren met de medewerksters achter de “balie”, ontnam het zicht op de cijfers voor wie later kwam. Een duidelijk geval van esthetiek die voorrang heeft gekregen boven functionaliteit, dacht ik. Zou ik een berichtje sturen naar de leiding om ze te wijzen op dit ongemak voor de patiënten? Ik liet de gedachte meteen weer varen, want in het contract met de architect, die natuurlijk geen benul heeft van het ongemak dat hij veroorzaakt heeft, is vast bedongen dat de eerste jaren geen veranderingen in de inrichting mogen worden aangebracht.
Nadat ik de hulpeloos ogende bezoeker attent had gemaakt waar Balie 3 was, nam ik weer plaats, onzeker of mijn naam misschien al door de wachtruimte had geschald. Ik mijmerde nog even over de privacy die eigenlijk in het geding is op het moment dat je naam uitgebazuind wordt voor zovele andere wachtenden die met gespitste oren luisteren of zijzelf aan de beurt zijn. Vreemd dat dit ritueel te midden van alle moderniseringen in de ziekenhuizen en klinieken heeft standgehouden. Zou het met status te maken hebben? In de roep klinkt iets door van en soort vonnis of vrijspraak die patiënten wacht. Een vestibule van het laatste oordeel.
Ik moest even denken aan “De kelner en de levenden” van Simon Vestdijk die de dag des oordeels situeert in een groot station.

“Bent u priester?” vroeg een man die met zijn vrouw een paar meter verderop in de wachtruimte zat. Hij zag aan mij dat ik even omschakelen moest. Hij stond op en kwam voor mij staan. Een grijsaard met een heel zachtmoedig vriendelijk gezicht. Zijn kalende ovalen hoofd en zijn bril met grote ronde glazen in een grijs montuur deden me vermoeden dat hij een studieus leven geleid had of nog steeds deed.
“Bent u echt een priester?” herhaalde hij. Met mijn priesterboord en zwarte pak eigenlijk een overbodige vraag. Tenminste nog wel. Want een stijgend aantal predikanten draagt ook een “boordje” als zij in functie zijn. Daaronder ook vrouwelijke dominees.
Ik was niet in functie zoals anders wanneer ik het ziekenhuis betreedt voor een ziekenzalving of een pastoraal gesprek. Ik was nu één van de velen die zich vrijwillig onderwierpen aan het regime van het ziekenhuis vanwege een röntgenfoto. Ik was even buiten dienst. Maar toch niet blijkbaar. Want zonder mijn boordje zou de man voor mij niet op het idee gekomen zijn mij zo aan te spreken.
“Ja. Dat ben ik” antwoordde ik vriendelijk: “ik ben de pastoor van de parochie hier in Leidsche Rijn”.
“Oh, wat vind ik dat leuk” sprak de man wiens ogen begonnen te glanzen. “Ik kom oorspronkelijk uit Zuid-Limburg. We hebben net vorige week een reünie van de lagere school gehouden. Een van mijn klasgenoten is later priester geworden. Hij was er ook. Misschien kent u hem wel”. Hij noemde een naam die mij niet bekend voorkwam. “Tijdens de oorlog ging de school dicht. Maar de pastoor ontving ons op de pastorie en gaf ons allebei lesopdrachten. Misschien wilde hij wel dat we door hem een roeping tot het priesterschap ontwikkelden. In elk geval is mijn klasgenoot later priester geworden. Ik hield van talen. Zodoende ben ik leraar Frans geworden op de Middelbare school”. “Ach” zei ik “mijn eerste indruk van u is, dat u vast een hele goede docent bent geweest met hart voor de scholieren. Een herder voor uw leerlingen. Eigenlijk ook een soort priesterlijke figuur”.
Hij keek me verbaasd, maar ook enigszins gevlijd aan. Ik stelde me de zachtaardige oude man voor als een jonge kapelaan, een zwarte toga en een zwarte bonnet op het hoofd. Hij kon zo zijn weggelopen uit een zwartwit film uit de vijftiger jaren, of de t.v serie “Dagboek van en herdershond”,
“Onze pastoor leerde ons Hebreeuwse letters. Die zijn me altijd blijven fascineren” zei hij. Heel langzaam reciteerde hij op fluisterende toon de eerste woorden uit de Bijbel, uit het boek Genesis: “Bereshit bara Elohim haaretz wehasjamajim” (in het begin schiep God de hemel en de aarde). Alsof hij mij heimelijk een schatkist toonde met allerlei schitterende juwelen.
Intussen ging dan hier dan daar een deur open en riep een ziekenhuismedewerker de naam van de patiënt die aan de beurt was. Nog steeds geen “mijnheer Lóssss…!” “Hoe is uw naam” vroeg hij.
“Los” antwoordde ik. “Los“ herhaalde hij alsof hij mij welkom heette in zijn leven. Toen gaf hij mij een hand en stelde zichzelf voor.
“Ik let wel mee op” sprak hij behulpzaam “Zit u hier ook voor een foto of een scan?” “Ja” zei ik “de huisarts wil graag meer inzicht in mijn knie.”
“Ik heb kanker” zei hij “of liever gezegd: ik hád kanker. Ik ben een paar jaar schoon geweest. Maar het lijkt weer terug gekomen. Dus moet er een scan gemaakt worden”. Hij sprak de woorden zonder dramatiek, eerder met berusting.
Meteen sprak hij weer een paar Hebreeuwse woorden “Asrej ha ish asjer lo halach…”. Met een glimlach keek hij mij vragend aan.
“Herkent u die woorden?“ Ik knikte instemmend. Ik voelde gaandeweg een grote sympathie voor deze man met wie ik zo plotseling een ontmoeting had in de zee van mensen in de wachtruimte.
“Dat zijn de eerste woorden van Psalm 1” antwoordde ik: “Gelukkig die man die niet wandelt op de weg van de boosdoeners”.
De man die deze woorden sprak, viel voor mij samen met het woord dat hij sprak. Het was geen vertoon van geleerdheid. Hij onthulde zonder zich bewust te zijn, iets van zichzelf. De scan en de mogelijke slechte uitslag, zouden hem die schat in zijn hart niet kunnen afnemen, voelde ik.
Hij liep terug naar zijn plaats waar zijn vrouw zat. Met een zorgelijk gezicht had ze ons gevolgd. Uit de zak van zijn lichtblauwe jack pakte hij iets. Meteen kwam hij bij mij terug. Ik hoopte dat de oproep van de röntgenassistent nog even op zich zou laten wachten. Nu even geen “mijnheer Lósssss”.
Hij pakte nu een stoel en zette zich schuin tegenover mij, een klein boekje in zijn hand. “Dit draag ik altijd bij me” zei hij op de manier waarop velen mij in de loop der tijd hebben laten zien dat ze in hun broekzak of tas een rozenkrans bij zich dragen.
Hij toonde mij een boekje, kleiner dan de palm van zijn hand. Met zijn duim opende hij het boekje. Hebreeuwse letters op de ene bladzijde, de Engelse vertaling op de bladzijde er tegenover. Het was een mini-bijbel met alleen de Psalmen.
“Wat mooi” zei ik oprecht.
“Psalm 23 lees ik heel vaak. Adonai roí lo echsar” zei hij met een glimlach waar innerlijke vreugde doorheen sprak.
“Ja, de Heer is mijn herder. Het ontbreekt mij aan niets” beaamde ik “Wat fijn dat u deze woorden altijd bij u draagt”.
Ik wilde dit bijzondere moment en deze kostbare ontmoeting vastleggen. “Ik moet een foto maken van het boekje. Geopend en in zijn handen rustend. Zo gauw mogelijk. Voor het te laat is” ging het door me heen.
“Mag ik een foto maken van dit boekje in uw handen?” vroeg ik terwijl ik mijn Iphone uit mijn colbert haalde “misschien kan ik dat ooit gebruiken bij als illustratie bij een verhaal.”
“Ja natuurlijk” zei hij onverminderd vriendelijk.
Juist toen hij het boekje open in zijn handen legde, klonk onverbiddelijk van een afstand de stem van een assistent in witte jas: “mijnheer………………………….
Het was niet mijn naam maar de zijne die klonk.
Hij stond op en gaf het kleinood aan zijn vrouw.
psalm23screenshot“U kunt de foto ook wel nemen met de hulp van mijn vrouw” zei hij voordat hij naar de dame in de witte jas liep. Ik zag hem de assistente een hand geven en naar binnengaan, zijn lot tegemoet.
Zijn vrouw kwam even bij me zitten en nam op mijn verzoek het boekje in de hand voor de foto. Ik realiseerde mij dat haar handen heel anders waren dan de zijne. Ik aarzelde of een foto nu nog wel zin had. Maar ik wuifde de gedachte weg. Ik wilde dit moment vastleggen, en deed dat.
“Mijnheer Los?” klonk het opeens vriendelijk achter mij. Ik was aan de beurt.
Een paar minuten later kwamen we bijna tegelijkertijd weer naar buiten. We gaven elkaar een hand en bedankten elkaar voor de bijzondere ontmoeting die alle trekken in zich had van een betekenisvol moment voor ons beiden.
Ik wenste hem sterkte bij de uitslag en verdere behandeling.
Spontaan vroeg ik hem: “mag ik u de zegen geven?”
“Ja, heel graag” antwoordde hij opgetogen.
Ik legde beschroomd mijn handen op zijn hoofd en zei tot hem onder vier ogen: “Moge de Heer, de Goede Herder, u zegenen. Moge Hij u nabij zijn en behoeden. Moge Hij u een goed en begaanbaar perspectief geven!”
“En wie weet tot ziens!” voegde ik er opgewekt aan toe.
Ik maakte me los uit deze gewijde ómhelzing en liep de wachtruimte uit naar de lift.
Het duurde even voor de lift kwam. Toen ik uitstapte, kwamen we elkaar weer tegen. Zijn vrouw en hij waren met de roltrap gegaan. Ze kenden de weg, en ik was nog beduusd.
Hij liep op me toe, lege zijn hand op mijn schouder, een traan op de wang. “Wat heeft die zegen mij goed gedaan” zei hij zacht in mijn oor.
“Mij ook” antwoordde ik ontroerd. Ik voelde me gezegend door de ontmoeting met deze mooie mens. Een juweel in de wachtkamer.

© Martin Los

Een vraag die uit de lucht kwam vallen op de Piazza Navona (een pastorale anekdote)

Het was de voorlaatste dag van de bedevaart.
Eindelijk konden de deelnemers een paar uurtjes op eigen houtje door de straten van het oude Rome lopen.
Sommigen wilde op hun gemak winkelen. Anderen gewoon wat slenteren en op een terrasje zitten.
Het was begin september. Nog volop zomer. Elke dag vierendertig graden.
Met zo’n hitte is het aangenaam om even niet in groepsverband te hoeven lopen zoals de andere dagen.
Dat was nodig om het hele programma af te werken.
Het hotel lag te ver van het centrum om van daaruit ‘s avonds in de koelte nog even de stad in te lopen en iets te kopen als herinnering aan Rome.
Vanmiddag was de enige kans nog om dat te doen.
De pelgrims gingen in groepjes uiteen om niet te verdwalen in de nauwe straatjes. Ik koos ervoor om een moment alleen te zijn.
Even ongehinderd de sfeer in ademen van deze stad naar mijn hart.
En ik wilde ook alvast even de Santa Maria dell’ Anima verkennen, de kerk waar ik samen met de pelgrims aan het eind van de middag de Mis zou vieren ter afsluiting van de bedevaart.
Morgen wachtte alleen nog de algemene audiëntie bij de paus op het Sint Pieterplein voordat we met het vliegtuig zouden terugreizen.

De Santa Maria dell’ Anima lag op ongeveer honderd meter van de Piazza Navona. Gelukkig was de kerk ondanks de siësta open. Het was er aangenaam koel.
Er ging een gevoel van trots door mij heen bij het betreden van de prachtige barokke ruimte.
Straks zou ik hier mogen voorgaan in de Mis.
In gedachten hoorde ik al de pelgrims de gezangen van de Mis zingen.
Ze vormden samen een projectkoor dat de afgelopen dagen al gezongen had in de Sint Pieter en op andere plaatsen in de stad.
Omstanders bleven dan verrast in grote getale staan luisteren.
Ze dachten aan een flashmob. Ze maakten foto’s en selfies.

Mijn trots werd ook door een andere gedachte gevoed.
De oorspronkelijke Santa Maria dell’ Anima was in het jaar 1386 op deze plaats gebouwd op kosten van een Dordrechts echtpaar, Jan en Katrijn Peters.
Anderhalve eeuw later, nog voor de reformatie, kreeg ze haar huidige vorm.
Vele voeten uit de Lage Landen hadden de weg naar deze kerk gevonden in de tijd dat de kerk in ons land nog ongedeeld was.
Bij die gedachte aan de ene ongedeelde kerk in ons land voegde zich een schaduw van weemoed  bij mijn trots.
Wat ooit gewoon was, is nu een droom.

Intussen was ik voorin de kerk gekomen. Ik stond voor de treden naar het altaar.
Het presbyerium was afgesloten met een koord zoals gebruikelijk.
En daar, in de muur naast het altaar, zag ik de sarcofaag van Adrianus VI, Adriaan Floriszoon Boeyens, geboren in Utrecht.
De enige Nederlandse paus.
De laatste niet–Italiaanse paus voor de Pool Johannes Paulus II, Karel Wojtyla, in onze tijd.

Hoeveel Nederlanders zouden weten dat ooit een landgenoot op de stoel van Petrus had gezeten als bisschop van Rome? Hoeveel rooms-katholieken en andere christenen?
Zelfs de stad Utrecht heeft nooit raad geweten met dit unieke feit.
Aarzelend klinken de laatste tijd stemmen om de stad als bakermat van paus Adrianus te promoten.
Maar in ons land lijkt het even onmogelijk om het eigen religieuze verleden in de schijnwerper te zetten, als het aansteken van een natte lucifer.
Ook de katholieke gemeenschap in de stad weet niet goed raad met paus Adrianus.
Hij is immers maar korte tijd paus geweest.
Alsof dat iets is waarvoor je je zou moeten schamen. Is een paus die slechts kort zijn ambt vervuld heeft, daarom zwak? Hoe zo zwak? Zwak van gezondheid misschien. Algemeen wordt aangenomen dat hij niet opgewassen was tegen de intriges in Rome. Maar Adrianus werd tot paus gekozen in een ongelofelijk roerige tijd.
Het was aan de vooravond van de Reformatie.
Europa hield de adem in.
Zouden de kardinalen die in de Sixtijnse kapel bijeen waren op dat moment opzettelijk een zwakke een onbekwame man hebben uitgekozen om paus te worden?
Ik staarde naar de sarcofaag ingemetseld in de muur met daarop de naam ADRIANUS VI. Zo dichtbij en toch zo vreemd.

Wat zou er uit hem geworden zijn als hij langer geleefd had?
Ik hoorde stemmen als echoes door de tijd. Ze mengden zich met de gedempte geluiden van de bezoekers van de kerk die onbekend waren met mijn gedachten.
Zo ontwaakte ik uit mijn mijmeringen.
Ik had genoeg gezien om te weten waar ik straks zou staan om de preek te houden. Ik stak ook nog mijn hoofd om de deur. Niemand.

Door de straat tegenover de omgang van de kerk liep ik terug naar de piazza Navona. Het leek me heerlijk om daar even te zitten in de schaduw.
Nog wat mediteren over wat ik zou gaan zeggen in de kerk.
Maar mijn doel was vooral gewoon een uurtje doelloos in Rome zijn.
In de lange straat zaten over de hele lengte enkele tientallen scouts op de grond.
Heel slim, want de smalle straat lag helemaal in de schaduw.
Stukken pizza’s werden afgebroken en onderling verdeeld als in een wonderbare broodvermenigvuldiging
De jongens en meisjes kwamen uit Portugal. Dat bleek uit hun halsdoeken en insignes. Ze wisten dus hoe je de schaduw moet uitbuiten en uit de zon blijven.
Ze zouden ongetwijfeld morgen ook op de algemene audiëntie op het Sint Pietersplein zijn.
Op de hoek van de straat en de piazza trof ik een gelateria. Het leek me heerlijk om in de stemming te komen van een uurtje alleen in Rome door een ijsje te eten.

Even later stond ik op straat met een beker met drie smaken ijs dat razendsnel smolt De ijssalon was verbonden met een restaurant op de hoek van piazza en de straat Ik besloot te gaan zitten aan een tafeltje in de schaduw.
De kelner kwam op mij af om te zeggen dat ik mijn ijsje ergens anders moest opeten. Begripvol keek ik naar de druk gebarende Italiaan tegenover me.
“Een cappuccino graag” zei ik glimlachend tegen hem.
“Padre, u mag hier niet zitten” herhaalde hij wijzend op het ijsje in mijn hand.
“Maar ik bestel een cappuccino, dan mag ik hier toch wel zitten?”
In verwarring ging de kelner naar een bediende die hoger in rang was dan hij.
Ze smoesden wat met elkaar. Vervolgens kwam hij terug, veegde mijn tafeltje schoon, en bracht me even later plichtmatig mijn cappuccino.
Eindelijk kon ik mij overgeven aan het ultieme genoegen om op te gaan in het alledaagse Rome. Omgeven door een Romeinse familie, grootouders, een dochter en schoonzoon en kleinkinderen. Ze hadden ook vriendelijk gevraagd of ze de vrije stoelen van mijn tafeltje mochten gebruiken.
Ik kon even ongestoord alleen aan mijn tafeltje zitten dagdromen

Plotseling stond een meisje voor me.
Geheel in donkerblauw met een sjaaltje om haar hals in de Portugese kleuren. Een jaar of zestien oud.
Ze was één van de leden van de scouting die in de zijstraat verbleven. Haar haar hing in twee vlechten over haar schouders.
“Father, may I ask you something?” zei ze vrolijk verlegen met een Portugees accent en met een A4tje en pen in de hand.
“How can I help you?” antwoordde ik spontaan.
“Was the vocation of St. Matthew before of after the storm at lake Galilea?”
Ik moest inwendig glimlachen.
Dacht ik even anoniem op te gaan in Rome.
Je bent nooit incognito in priesterboord.
“I don’t know” zei ik verbaasd.
Maar de vraag intrigeerde me zo dat ik vergat te vragen: “Why do you want to know this”.
Want ik wilde het meteen zelf ook weten. Ik had er nooit bij stil gestaan.
“I have a Bible here in my bag. So we can search for the answer in the Gospel”.
“In Italian? ” vroeg het meisje aarzelend alsof ze nu voor een onmogelijke uitdaging stond.
“No, in Dutch” antwoordde ik “I am Dutch”.
Ze keek me vol verwondering aan.
Je zag haar denken: spreek ik een priester aan op de piazza Navona in hartje Rome, blijkt het een Nederlander.
Ik ritste mijn zwarte rugzak open en pakte de kleine zakbijbel eruit.
Het verhaal van de roeping van Mattheus moest in het gelijknamige evangelie staan. Maar waar?
De kleine lettertjes, dicht op elkaar, wekten gedachten op aan een donker bos dat je niet ziet vanwege de bomen.
Ik bladerde even als een verdwaalde heen en weer.
Eindelijk, daar was het verhaal van de storm op het meer.
En niet ver daarna het verhaal van de roeping van Levi, de tollenaar, beter bekend als Mattheus.

“The Lord called Matthew after the storm” zei ik tegen geruststellend tegen haar.
“Thank you, father” zei ze triomfantelijk.
Meteen verdween ze weer in de zijstraat, naar haar groepje scouts.
Verwonderd keek ik haar na.
De vraag naar de roeping van Mattheus die voor mij zomaar uit het niets kwam, was blijkbaar onderdeel van een bijbelquiz waarmee de jongeren hun lunchtijd in de schaduw doorbrachten.
Ik genoot nog even na van het moment.
Wie bedenkt zoiets. Dat je op de piazza Navona wordt aangeklampt door een Portugese scout die je een vraagt stelt over het moment van de roeping van Matteus. Tegelijk gingen er allerlei gedachten door me heen.
Was dit een betekenisvolle ontmoeting? Zo één waar een bedevaart je ogen voor opent? Een knipoog van God om je het gevoel te geven dat hij iets met je voor heeft? Maar vooral moest ik glimlachen omdat ik zelf nog nooit op die vraag gekomen zou zijn waar het uitgelaten meisje mee kwam.
De evangelist en apostel Mattheus had de storm op het meer van Galilea niet meegemaakt. Alleen de eerste apostelen, zoals Petrus en Jacobus en Johannes. Vissers, mannen met zeebenen. Mattheus was een man van cijfertjes achter een bureau. Hij was pas later bij de leerlingen van Jezus gekomen.
Wat voor invloed moet dit gehad hebben op zijn beleving?
“Before the storm or after, that ‘s the question” zei ik in gedachten tegen het meisje dat allang weg was.

Even later liep ik langs de scouts terug naar de kerk. Ik herkende haar niet onder de uniform geklede jongeren. Zelfs haar vlechten waren niet uniek.
De engel was opgegaan in de menigte. Zichzelf niet eens meer bewust van haar verschijning.
Bij de kerk trof ik de eerste pelgrims aan. De rest volgde snel. Ik bereidde me voor in de sacristie.
De Mis begon. De organist die met ons meereisde, zette het magistrale orgel aan tot uitbundige klanken Ik betrad het priesterkoor en na een paar stappen stond ik aan het altaar naast de tombe van Adrianus VI.
pausAdrianusVIOnze Nederlandse paus. Zo alleen. Een beetje vergeten. Heel even droomde ik dat een flinke groep Nederlandse scouts in Rome de kerk op dat moment binnen kwam. Allemaal met een pen en een A4tje in de hand. Een van hen roept me uitgelaten toe: “In welke tijd was Adrianus VI paus? Voor of nadat de storm opstak?”
“Hier is hij” antwoordde ik “zullen we het hem zelf vragen?”

© Martin Los