De waarde van gastvrijheid

Preek op de 16e zondag door het jaar C 17 juli 2022 Bunnik en Houten

Vandaag staan we door de Schriftlezingen stil bij de gastvrijheid 1). Abraham biedt aan drie mannen die zijn tent passeren, een maaltijd aan. Het is niet alleen teken van zijn zorg voor deze drie vreemdelingen dat zij geen honger en dorst hebben. Het is ook een hele eer in zijn ogen om vreemdelingen te ontvangen. Want een vreemdeling is iemand die uit andere streken komt. Zo iemand kent vele verhalen. Hij kan je leven verrijken. Een echte ontmoeting kan je leven totaal veranderen. Misschien is zo’n vreemdeling wel een bode van God. Dat gebeurt in het leven van Abraham zoals we hoorden. De vreemdelingen die Abraham zo gastvrij ontvangt, betrekken zijn vrouw Sara bij de ontmoeting. Zij was zoals in de Oriëntaalse cultuur gebruikelijk was in de keuken gebleven. Maar de gasten wisten natuurlijk heel goed dat Abraham de maaltijd niet zelf had klaargemaakt maar de vrouw achter de schermen in de tent. Abraham was tijdens de maaltijd uit respect onder de boom blijven staan om zijn gasten te dienen. “Volgend jaar kom ik terug en dan zal Sara, uw vrouw, een zoon hebben” sprak de gast. Toen begreep Abraham dat hij en Sara niet zomaar een gast op bezoek hadden gehad, maar een engel van God in mensengedaante. Deze ontmoeting veranderde hun hele leven, want ze waren de leeftijd gepasseerd waarop mensen vruchtbaar zijn. Misschien hadden ze zelfs geen gemeenschap meer omdat hun levensbron was opgedroogd. Nu waren ze plotseling toekomstige ouders van een zoon waar ze tevergeefs naar hadden uitgezien.
Wij mensen van deze tijd weten nauwelijks nog wat gastvrijheid is zoals in de tijd en de antieke wereld van Abraham. Toen waren mensen totaal afhankelijk van elkaar. Een vreemdeling onderweg had bescherming nodig tegen overvallers. Een veilig onderdak, drinken en eten. Maar zo’n vreemdeling opende ook je gesloten wereld. Hij kon een boodschap van God zijn.
Op een heel andere manier hebben we natuurlijk wel degelijk de vreemdelingen in ons midden in de gestalte van migranten en vluchtelingen.

Mensen die nu vluchtelingen uit Oekraine of Syrie onderdak bieden, zien ook hun leven veranderen. Een parochie die zijn deuren openzet voor vluchtelingen, zoals ook hier, verandert. Personen en gemeenschappen gaan zichzelf en hun wereld met andere ogen zien. Waar we misschien het gevoel hadden op een doodlopende weg te zijn, krijgen we weer moed en vertrouwen voor de toekomst. Wij hier in Nederland hebben bijna alles was ons hartje begeert en toch is er grote ontevredenheid en ondankbaarheid. Door de vreemdeling in ons midden te ontvangen leren we misschien dat we met veel minder toe kunnen om gelukkige mensen te zijn. Mensen die niet opkijken tegen de dag van morgen. En wie een vreemdeling opnemen in hun midden, krijgen ook vrienden voor eeuwig.
Het Evangelie gaat over Maria en Martha. Zij verlenen gastvrijheid aan Jezus. Ze zijn de zussen van Lazarus horen we bij de evangelist Johannes. Deze zussen hebben Jezus ontvangen. Die ontmoeting heeft geleid tot een bijzondere vriendschap. We kijken er misschien wat vreemd van op dat Jezus echte vrienden had. Voor Jezus zijn alle mensen toch gelijk? Ja, zeker. Ieder mens is in zijn ogen een kind van God dat diep respect verdiend. Hij trok niemand voor. Maar Jezus was ook een mens met zijn eigen behoeften en emoties. Hij was geen stoïcijn die zich aan niets en niemand hechtte om immuun te zijn voor verlies. Elk mens heeft behoefte aan vriendschap, aan iemand met wie je bepaalde intieme ervaringen deelt, die weten wat je nodigt hebt, die aan een half woord genoeg hebben, die geheimen niet verklappen.

Maria is aan zijn voeten gaan zitten in plaats van in de keuken te staan om voor Jezus te zorgen. Dat is teken van grote vertrouwdheid en vrijmoedigheid voor een vrouw in die tijd. Martha is druk in de weer met bedienen van Jezus en de gast. Een vredig tafereel. Toonbeeld van gastvrijheid. Teken van thuis zijn van Jezus bij mensen. Ware het niet dat Martha via Jezus plotseling haar zus ter verantwoording roept. “Meester, kunt u niet tegen mijn zus zeggen dat ze mij moet helpen. Ineens staat de gastvrijheid en de vriendschap op het spel. Want als gast wil je niet betrokken zijn bij onenigheid in de familie. En je wilt ook niet in een positie komen waar je partij tussen je vrienden moet kiezen.
Jezus redt de situatie door als een echte vriend en gast te handelen en vrede te stichten. Hij erkent dat Martha heel druk bezig is. Hij ziet het en respecteert het. “Martha, wat ben je druk in de weer met een heleboel dingen”. En tegelijk komt hij op voor Maria en haar keuze om aan zijn voeten te zitten en naar hem te luisteren: “weinig dingen zijn echt nodig, één maar. Maria heeft het goede gekozen dat haar niet zal worden ontnomen”.  Tussen haakjes: in de Griekse grondtekst staat “het goede”. In de vertaling “het beste”. Alsof er sprake van concurrentie is. Dat is denk ik niet wat Jezus bedoelt. Hij waardeert Martha. Ze is met heel veel bezig. Maar tegelijk is ze niet tevreden. Ze ergert zich. Daar zit het probleem. Beseft ze dat? Als je iets doet, doe het met toewijding. Je kunt maar één ding tegelijk. Martha wilde én dienen én luisteren. ‘Multitasken’ noemen we dat tegenwoordig. Haar hart was verdeeld. Maria’s hart was helemaal bij Jezus.  Ze genoot van alle woorden van Jezus. Ze nestelden zich in haar voorgoed. Ze stelde zich open voor God’s aanwezigheid in hun huis. Jezus zou er later terugkeren, toen hun broer Lazarus gestorven was. Het was een vriendschap in lief en leed, vriendschap voor het leven, het eeuwige leven
We hebben stil gestaan bij gastvrijheid voor vreemdelingen. Het begin van vriendschap. Bij onze levens en relaties die hierdoor verrijkt worden. Door een nieuw perspectief dat mensen erdoor krijgen. Zo wil Jezus ook bij ons te gast zijn. Zo openbaart zich ook God aan ons in de vreemdeling in ons midden. Sterker nog: in deze eucharistie is Jezus niet bij ons te gast. Hij is onze gastheer. Wij zitten aan zijn voeten en luisteren naar zijn woord. Wij bedienen hem, maar Hij deelt zichzelf in brood en wijn aan ons uit. Amen

Martin Los, pr

1) de eerste lezing en het Evangelie van de eucharistie op de 16e reguliere zondag door het jaar, gaan beide over ‘gastvrijheid’:
1e lezing: Genesis 18:1-10a
Evangelie: Lukas 10:38-42

Zandkorrel of graankorrel

Preek op de 13e zondag door het jaar zaterdagavond 1 juli 2017 Mariakerk De Meern

Lieve zusters en broeders, het is niet gering  wat Jezus vraagt van degenen die zijn roepstem horen en hem willen volgen, maar hij belooft hen ook heel veel. Want hij zegt: ‘Wie u opneemt, neemt Mij op en wie Mij opneemt, neemt Hem op die Mij gezonden heeft’ *).
Wanneer je oprecht Jezus volgt, dan mag je hem als christen persoonlijk  vertegenwoordigen. Dan ben je een gezant van Hem. Een bode van God. Je mag tot zegen zijn van je omgeving en de heilzame invloed van Christus zelf verspreiden. Is dat niet het verlangen dat God in elke mens gelegd heeft: tot zegen van je medemensen zijn, hen het gevoel geven dat ze ertoe doen, maken dat ze tot bloei komen?
Wat een armoede als we alleen maar met onszelf bezig zijn terwijl we heel veel voor anderen kunnen betekenen. Maar we kunnen heel veel betekenen voor anderen omdat wij ons hart geopend hebben voor Jezus. Zo brengt hij in ons het goede tot bloei. We mogen tot zegen zijn van iedereen.
Jezus belooft dat hij zijn zegen zal schenken aan iedereen die een volgeling van Hem respecteert, en ondersteunt, ómdat hij of zij een volgeling van Hem is, al is het maar met een beker water *).
Laten we als christenen ons niet schamen voor onze liefde voor Christus en ons geloof in God. Laten we vooral niet denken dat de wereld rondom ons alleen maar bestaat uit mensen die afwijzend of zelfs vijandig tegenover ons staan.
We mogen tot zegen zijn, maar dan moeten we het wel aandurven om het Evangelie in praktijk te brengen. We moeten ook niet onmiddellijk resultaat willen zien, of teleurgesteld afhaken als onze moeite niet meteen succes heeft.
Ik moet met een glimlach denken aan de uitspraak van vicepremier Lodewijk Asscher wiens partij zwaar verloren heeft bij de verkiezingen en nu in de oppositie zit. Voor sommige partijleden heeft die beproeving –  niet meepraten aan de tafel van de informateur – al lang genoeg geduurd. Asscher zegt over hen deze week: ‘sommigen mensen die één zandkorrel hebben meegemaakt, denken dat ze de hele woestijn al doorgetrokken zijn’.
Die mooie uitspraak is ook op allerlei andere situaties van toepassing. Hoeveel christenen geven hun inspanningen om Jezus te volgen in zijn liefde al op na één tegenslag. Ze houden het voor gezien. Ze vinden dat ze zelf niet geschikt genoeg zijn, of dat ze hun goede wil getoond hebben of dat het Evangelie toch niet meer van deze tijd is om mensen aan te spreken. Maar het moet ons niet te doen zijn om meetbare resultaten of successen waarmee we in onze eigen ogen scoren. En al helemaal niet om “zieltjes winnen”.
Jezus vergelijkt op een andere plaats het leven van zichzelf en van mensen die Hem volgen, als een graankorrel die in de aarde valt en sterft en schijnbaar verloren gaat, maar die juist zo veel vrucht dragen. Het Evangelie in praktijk brengen is om zo te zeggen een zaak van lange adem. Juist daarom zegt Jezus moet je niet halfslachtig zijn of op twee gedachten hinken.
Daarom zegt Hij:  ‘wie vader of moeder meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig’. *) Veel mensen struikelen over deze uitspraak van Jezus. Liefde van kinderen voor hun ouders is natuurlijk en mooi. En van ouders voor hun kinderen. ‘Hoe kan Jezus daar nou bezwaar tegen maken?’ zegt men.
Het is inderdaad een prikkelende uitspraak. Die uitspraak is bedoeld om onszelf te onderzoeken en na te gaan of we inderdaad bereid zijn Jezus onvoorwaardelijk te volgen of dat we allerlei voorbehoud maken. Het gaat de Heer er niet om dat we onze ouders of onze kinderen niet zouden mogen liefhebben. Maar durven we ‘nee’ te zeggen tegen hen als ze iets van ons eisen dat tegen de liefde van God ingaat? Durven we voor Jezus uit te komen als ze van ons vragen om water bij de wijn van het Evangelie te doen. Durven we dan als het erop aan komt onze eigen weg te gaan, niet om onze ouders of kinderen te kwetsen, maar om ook hen uiteindelijk tot zegen te kunnen zijn door ons geweten te volgen?
Daarvoor moeten we de vrijheid nemen om Jezus te volgen en zijn Evangelie. Dat is soms best moeilijk, maar daarom je moet weten waar je aan begint als je probeert als een kind van God te leven.
‘Wie zijn kruis niet opneemt en Mij volgt, is Mij niet waardig’ *). Jezus bedoelt daar niet mee dat hij neerkijkt op zo iemand. Integendeel. ‘Niet waardig’ betekent niet ‘waardeloos’ in zijn ogen. Maar dat is er geen sprake van een ‘match’, van een goed span. Dat wordt niks. En als het mislukt, geef je Jezus de schuld.
Jezus vraagt niet teveel. Hij vraagt dat we ons bewust zijn van wat betekent dat we Hem willen volgen in zijn liefde voor God en mensen.
Als we ons dat bewust zijn, zullen we niet bij de eerste tegenvaller afhaken. We zullen niet verrast zijn en klagen als we ook tegenwind hebben. We zullen groeien en kracht krijgen om vol te houden. Zijn we ons bewust hoe groot de liefde van Christus en van God is. Erkennen we hoe de wereld Jezus nodig heeft en hoe hij onszelf en velen tot zegen kan zijn. Branden we van verlangen om zelf tot zegen te zijn doordat we door ons leven anderen met Jezus in aanraking brengen? Jezus vraagt van ons dat we niet onverschillig en lauw zijn, maar vol passie. Amen

(c) Martin Los

*) Preek naar aanleiding van het Evangelie van de 13e reguliere zondag volgens het r.k. leesrooster: Mattheus 10:37-42 (citaten cursief)