De sleutel voorhanden

Preek op de 21e zondag in Mariakerk en Willibrordkerk op 23 augustus 2020

“Wie zegt Gij dat Ik ben” is de vraag van Jezus aan zijn leerlingen 1). Eerst heeft hij hen gevraagd aan wie de mensen in het algemeen denken bij “mensenzoon”. Dat is de persoon die bij het laatste oordeel alle macht in handen wordt gelegd. De lang verwachte Messias.
De mensen denken, zo antwoorden de leerlingen, bij de Mensenzoon aan de grote profeet Elia of Johannes de Doper of een andere profeet. De naam van Jezus noemen zij kennelijk nog niet.
En de leerlingen zelf? Aan wie denken zij. Zíj kennen hun meester van nabij. Ze trekken sinds hun roeping onafgebroken met hem op. Ze hebben al zijn woorden gehoord. Ze hebben al zijn wonderen en tekenen meegemaakt. Zij hebben gezien dat hij geen rol speelde, maar dat hij elk ogenblik zichzelf was. Dat hij in overeenstemming met zijn verkondiging leefde en handelde. Is dat dan wel voldoende om Hem te erkennen als degene die hij echt is, Christus? Als mens kennen ze hem. Maar hoe zouden ze hem kennen als Zoon van de levende God?
Dan richt hij zich plotseling persoonlijk tot henzelf met de vraag: “Maar wie zeggen jullie dat Ik ben?“. Let goed op, want dit luistert heel nauw. Jezus vraagt niet:  “en wat is jullie mening over mij”. Een mening is wat je toeschijnt. Een mening kan veranderen. Een mening hoef je niet uit te spreken.
Wie zegt gij dat Ik ben?” Dit is een adembenemend moment. Zal voor de eerste keer in de geschiedenis een mens belijden dat Jezus de Christus is? Dan moet God, de Vader die mens zijn ogen daarvoor geopend hebben. Door de Geest die op Jezus rust: “U bent de Christus, de Zoon van de levende God” zegt Petrus.
Met die belijdenis heeft het geloof in Jezus als de Christus zijn intrede gedaan in de wereld. En dat geloof zal niet meer verdwijnen uit de wereld, belooft Jezus Petrus en zijn medeapostelen. “Op deze rots – op deze belijdenis van Petrus en de leerlingen – zal ik mijn kerk bouwen en de poorten van de hel zullen haar nooit overweldigen”.
Met deze belofte, met deze belíjdenis, vertrouwt Jezus Christus, als het hoofd van de kerk, Petrus de taak toe om het geloof en de eenheid van de gelovigen te bewaren. Hij krijgt de sleutels in handen om het geloof te bewaren. Niet alleen voor zichzelf persoonlijk, maar van heel de kerk. Vanaf het begin heeft de kerk dit ambt van Petrus geëerbiedigd door de bisschop van Rome te erkennen als opvolgers van Petrus en zijn ambt. Rome, waar Petrus begraven is als martelaar, als getuige met zijn leven van het geloof dat Jezus de Christus is.
Zo zijn we als gelovigen verenigd rondom het Petrusambt, rondom de mond die belijdt wat geen mens zou kunnen bedenken, maar wat alleen God aan mensen openbaren kan, dat Jezus de Christus is, de Zoon van God. Daarom we heten we christenen. We belijden dat Jezus de Christus is.
Dit geloof dat Jezus de Christus is belijden we in het hier en nu. Op de vraag die Jezus ons recht op de man af stelt: “Wie zegt Gij dat Ik ben?” “U bent de Christus, de Zoon van de levende God”.
De belijdenis is altijd in het hier en nu. Zonder voorbehoud. Spontaan. Als het erop aan komt. Maar die belijdenis en dat geloof hebben wel gevolgen voor de toekomst , wat nog niet is, en voor het verleden dat niet meer is.
“Ik zal u de sleutels van het rijk der hemelen geven, en wat gij zult binden op aarde zal ook in de hemel gebonden zijn en wat gij zult ontbinden op aarde zal ook in de hemel ontbonden zijn”.
Wie de sleutels heeft van het rijk der hemelen, heeft macht om namens God en Jezus te handelen. Door het geloof mag de kerk iets doen wat eigenlijk alleen God vermag, namelijk zonden vergeven. Waarom zijn zonden zo moeilijk te vergeven? Omdat ze behoren tot het verleden. Geen mens kan teruggaan in het verleden om iets ongedaan te maken. Maar God kan dat verleden een halt toe roepen door vergeving te schenken. Door de mens met Hem te verzoenen. De keten van oorzaak en gevolg wordt verbroken. Een mens krijgt de vrijheid terug om als een kind van God te leven. We vieren dit in het sacrament van de biecht.
Geen mens beschikt ook over de toekomst. Maar Jezus grijpt in in de toekomst van deze wereld door deze gelofte te doen. De gelofte dat niets de kerk en de gelovigen van hem kan scheiden. “De poorten van het dodenrijk zullen deze rots niet kunnen overweldigen”.
Tweeduizendjaar al houdt deze gelofte van Jezus stand. Geen enkele gelofte heeft zo lang stand gehouden. Ondanks menselijk falen, misbruik, vijandschap, onverschilligheid staat de rots nog steeds overeind. Alleen door de trouw van Christus. Wat een voorrecht dat we daarvan getuige mogen zijn door de trouw van Christus aan zijn kerk, en doordat we zelf kunnen en mogen zeggen: U bent de Christus, de Zoon van de levende God. Dat is de sleutel tot verzoening tussen God en mensen, dat is de sleutel tot het eeuwige geluk en het heil van alle mensen. Amen

(c) Martin Los

Evangelielezing tijdens de eucharistie op de 21e gewone zondag door het jaar: Mattheus16:13-20

Tegen geloof, hoop en liefde legt de angst het af

Preek op de 4e zondag door het jaar 3 februari 2019 in Willibrordkerk en Mariakerk

“Nu blijven geloof, hoop en liefde, deze drie, en de grootste van hen is de liefde” 1)
Lieve zusters en broeders, het is mooi als een preek algemene instemming krijgt. Iedereen gaat met een fijn gevoel naar huis en de predikant ook. Maar moet een preek juist niet soms ergernis wekken? Niet doelbewust om de hoorders te kwetsen, maar omdat de predikant iets benoemt wat pijnlijk is, waar een taboe op rust, een hete brij waar men graag omheen loopt.
De preek die Jezus in de synagoge houdt, krijgt aan het begin ieders instemming 2). Maar gaandeweg slaat de instemming om in ergernis en tenslotte werpt men hem zelfs de synagoge uit, de synagoge van zijn eigen vaderstad. Wat neerkomt op exommunicatie, verwijdering uit de gemeenschap.
En dat allemaal omdat Jezus alleen maar open en eerlijk was. Hij wist wat de mensen dachten: “Jezus, je hebt nu overal mensen genezen. Laat  nu maar eens aan je eigen jeugdvrienden en bekenden zien wat je kunt”.  Eigen vaderstad eerst. Het klinkt ons bekend in de oren. Die houding verhindert de aanwezigen in de synagoge om de boodschap van Jezus echt te horen en nieuwe mensen te worden. Daarmee doen ze zichzelf tekort, maar ook Jezus. Ze maken hem tot een wonderdokter die zijn kunsten moet vertonen. Alsof ze als inwoners van zijn vaderstad recht hebben op wonderen.
Maar Jezus kan  niets doen zonder dat mensen in hem geloven, niet als een wonderdokter, maar als brenger van de blijde boodschap. Even tevoren had hij hen dat nog duidelijk gemaakt toen hij voorlas uit Jesaja: “De Geest des Heren is op mij, omdat Hij mij gezalfd heeft om aan armen de blijde boodschap te brengen” en hij begon zijn preek met de woorden: “heden is dit Schriftwoord in uw eigen oren vervuld”. Maar het drong niet tot de mensen door omdat ze vonden dat Jezus zich maar eens voor hen moest bewijzen.
Daarom legt Jezus de vinger op de zere plek. Hij haalt de Bijbel aan. Over de profeten Elia en Elisa die in eigen land een onvruchtbare grond vonden voor hun boodschap. Ze werden juist naar buitenlanders gezonden, naar vreemdelingen die wel tot geloof kwamen. Een weduwe in het buitenlandse Sion en de Syrier Naaman. In plaats van dat de aanwezigen in de synagoge de ironie van Jezus begrijpen – dat het heus niet de eerste keer zou zijn dat degenen die dichtbij menen te staan, uit ongeloof aan Gods beloften achter het net vissen – worden ze woedend en werpen hem de synagoge uit en zelfs de stad. Was het een niet geslaagde preek van Jezus omdat Hij ergernis wekte? Nee, de ergernis liet juist zien dat het woord van God mensen raakt en doordringt tot diep in de ziel; dat Hij ieders hart kent en de weerstanden die in ons leven, aan het licht brengt, om werkelijk vanuit het geloof in de bevrijdende, helende kracht van Gods woord te leven.
De ergernis gaat zo ver dat ze Jezus naar een rots duwen om hem vanaf te werpen. Nu is de vraag aan ons: Laat Jezus dan alsnog een soort kunststuk zien doordat hij “midden door de menigte liep en vertrok”? Trekt hij alsnog vanuit zijn binnenzak de kaart van goddelijke onkwetsbaarheid? Nee, Jezus toonde zich niet superieur en almachtig. Reken erop dat er wat door hem heen is gegaan en dat het hem pijn deed. In de steek gelaten door de mensen die hem het best kenden. Maar Jezus zelf vertrouwde op God. “Ik maak je tot een versterkte stad, een koperen muur” 3) had de Heer toch tegen Jeremia gezegd? Jezus vertrouwde dat God  hem zou helpen en dat die zou verhinderen dat iets of iemand zijn zending in de weg kon staan om de Blijde boodschap te brengen aan de mensen. Natuurlijk kende Jezus momenten van angst. Anders zouden we ontkennen dat hij waarachtig mens was. Maar hij liet juist zien dat geloof angst overwint. Zijn vertrouwen in God, zijn kalmte en zachtmoedigheid waarmee hij tussen de menigte doorging, was het wonder dat hij verrichte.
Het doet denken aan Ghandi, aan Martin Luther King, aan Nelson Mandela die in alle kwetsbaarheid rustig bleven, overtuigd van hun visioen en hun opdracht, en die juist zo geweldloze omwentelingen teweeg bracht in hun tijd.
Wanneer wij gelovig naar Jezus kijken en naar hem luisteren, wordt ook ons verlangen aangewakkerd om in zijn voetspoor te gaan.  
Wij verlangen om niet bang te zijn, dat ons geloof er de oorzaak van is dat andere mensen ons niet begrijpen en dat zij ons de rug toe keren; dat we in de kou komen te staan. Dat we anderen ergeren, niet omdat we anderen zouden veroordelen, maar gewoon omdat we zelf in alle vrijheid vanuit het geloof leven. We weten innerlijk hoe goed het is om vervuld te zijn van geloof, hoop en liefde, en vandaaruit te leven. Wat is er gezonder om die zuivere lucht in te ademen van geloof, hoop en liefde? Maar zullen anderen ons niet als uitslovers zien? Stellen we ons niet bloot aan spot en zelfs achterstelling? Maakt die begrijpelijke angst niet dat we ons meer zorgen maken dan nodig is. Juist gebrek aan overtuiging maakt ons tot een gemakkelijk prooi. De vraag is: durven vanuit het geloof, de hoop en de liefde te leven zoals Jezus deed.
Jezus onze Heer schenkt ons vertrouwen dat waarachtig geloof respect afdwingt; dat krachtige hoop aanstekelijk is – hoop is het medicijn tegen de angst, angst die heel veel mensen op dit moment in zijn ban heeft – ; en dat liefde sterker is dan alles.
Geloof, hoop en liefde zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ze ondersteunen en versterken elkaar. Ze zijn gaven van God aan zijn kinderen. Laten we niet bang zijn er met volle teugen van te genieten én ze in praktijk te brengen. Als het maar met liefde gebeurt, want de “grootste gave is de liefde” Amen

(c) Martin Los

lezingen tijdens de eucharistie op de 4e zondag door het jaar:
1) 2e lezing: 1 Korinthiers 13:4-13
2) Evangelielezing: Lucas 4:21-30
3) 1e lezing: Jeremia 1:4-5,17-19