Kennen is omgaan met. Over het lege graf.

Preek tijdens de Paaswake en op 1e Paasdag in de Mariakerk De Meern

“De Heer is waarlijk opgestaan, Alleluia”. Lieve zusters en broeders, met deze boodschap begroeten de christenen elkaar sinds mensenheugenis op het Paasfeest. Alleen op die eerste Paasmorgen nog niet. Want de vrouwen die als eerste de steen weggerold van het graf vonden, schrokken. Zij dachten dat het lichaam gestolen was. En de twee leerlingen die op onderzoek uit gingen, en het lege graf binnengingen, staarden in een groot raadsel. Zij begrepen het nog helemaal niet.
Hoe komt het, vragen we ons af, dat die ontsteltenis en die verbazing over is gegaan in vreugde en in het verlangen elkaar en de hele wereld toe te roepen: “De Heer is waarlijk opgestaan”?
Omdat ze zich Jezus zelf herinnerden. Wanneer wij iemand van wie we houden en die heel belangrijk is voor ons is, iemand die een centrale plaats in ons hart inneemt, verliezen, lijkt die ander in het niets opgelost. Maar tegelijk verschijnt die ander in allerlei beelden aan ons, wat je samen hebt beleefd, wat die ander heeft gezegd en gedaan. Dingen die je vergeten leek, komen plotseling boven. Zo komt die ander als het ware op een nieuwe manier op je toe. Ik heb dit uitgebreid beschreven in mijn boek over het verlies van mijn dochter Rosa.
“Die andere leerling die het eerste bij het graf was aangekomen, ging – na Petrus – ook het graf binnen. Hij zag en hij geloofde”. Voor hem was de steen die was weggerold zonder dat er iemand aan te pas was gekomen, het lege graf, de opgerolde doeken teken dat de Heer was opgestaan. Want hij kende Jezus. Hij had bij de maaltijden aan zijn borst gelegen. Hij had altijd een grote liefde voor Jezus gehad. Omdat Jezus anders was. Met niemand te vergelijken. De Zoon van God. Nu drong de laatste consequentie daarvan door: zijn meester was niet dood. Zijn Heer was opgestaan.

Later zouden hij en de andere leerlingen bij elkaar zitten en herinneringen ophalen aan wat Jezus hun gezegd had: dat de mensenzoon veel moest lijden, maar dat hij op de derde dag zou verrijzen. Ze zouden steeds beter gaan begrijpen dat Jezus altijd al degene was geweest, zoals hij nu aan hen verscheen. Hij leefde niet alleen voort in hun herinnering. Hun herinnering hielp hen te geloven dat Hij werkelijk de levende Heer is.
In het Marcusevangelie vertelt de engel aan de vrouwen, dat ze de leerlingen moeten verkondigen dat ze naar Galilea moeten gaan: “daar zullen jullie Hem zien, zoals Hij gezegd heeft”. Galilea is de plaats waar Jezus hen geroepen heeft. Daar heeft Hij hen alles geleerd en zijn wonderbare tekenen laten zien. Wanneer ze zich dat allemaal herinneren, zullen ze ervaren dat Jezus bij hen is als de levende Heer.
Die woorden en daden van Jezus hebben de leerlingen doorgegeven in de Evangeliën, zodat ook wij hun herinneringen en getuigenissen mogen delen. En in de Eucharistie waarvan Jezus gezegd heeft: “doet dit tot mijn gedachtenis” en in de opdracht om elkaar lief te hebben: “Zoals ik jullie heb liefgehad, zo moeten jullie ook elkaar lief hebben”. Dat zijn niet alleen herinneringen aan Jezus in een verleden. Het zijn woorden van de levende Heer. Vanuit Pasen zijn ze vervuld van goddelijke nabijheid en kracht. Het zijn woorden waarin we de steen van het graf zien weggerold, woorden die ons tonen dat het graf leeg is en de dood geen macht heeft. “Uw woorden, Heer, zijn woorden van eeuwig leven” roepen de leerlingen uit. De woorden zijn vervuld van zijn kracht, van zijn persoon, van zijn leven.

Door zijn dood en verrijzenis heeft Jezus voor ons de poort van het eeuwige leven geopend. Maar wat is dat eeuwige leven? Hoe krijg je dit eeuwige leven?
Bij de volwassenendoop vraag de priester aan de dopeling: wat vraag je van de kerk? Antwoord: het geloof. Priester: Wat schenkt u het geloof? Antwoord: het eeuwige leven. Priester: dit is het eeuwige leven, dat zij u kennen, Vader en de Zoon Jezus Christus.
Ziet u de steen weggerold? Ziet u het lege graf? Het geloof verbindt ons met Jezus en met God. Die verbinding, die relatie, is het eeuwige leven. In onze tijd wordt veel gesproken over ‘verbinden’ en over ‘inclusief denken en handelen’. De ultieme binding is ons leven verbinden met God. Dat is leven waar dood en bederf geen vat meer op hebben.
God kennen en Jezus kennen, is niet allerlei informatie bezitten over God, hele boekenkasten vol hebben staan. Jezus kennen, is omgaan met Hem. Zijn woorden ter harte nemen. Bij de beslissingen die we nemen te rade gaan bij Hem en bij wat Hij heeft gezegd en heeft voorgedaan. Daarin mogen we de levende Heer ontmoeten. Vanouds betekent ons woord ‘kennen” omgaan met. Een stelletje had vroeg “kennis aan elkaar”. Maar ook het Engelse woord ‘kin’ betekent je familie en vrienden. Ons woordje ‘kind’ – je eigen vlees en bloed -is daarmee verwant.
Dat eeuwige leven mogen we hier en nu dus al in beginsel ervaren. Want we mogen Jezus nu al kennen, en door Hem ook zijn hemelse Vader. We mogen hier en nu al als zijn kinderen leven en het leven als een geschenk van God ervaren dat Hij ons nooit meer afneemt. Tot we eens helemaal met Hem verenigd worden in het eeuwige licht.
We mogen met ons eigen leven getuigen: “De Heer is waarlijk opgestaan. Alleluia!” Amen

pastoor Martin Los
Evangelielezing Paaswake: Marcus 16:1-8; en 1e Paasdag:  Johannes 20:1-9
afbeelding: doop van een volwassene in de Paasnacht met het nieuw gewijde water en het licht van de nieuwe paaskaars

Getuigen van de verrijzenis

Preek op Paasmaandag 2017 in de Mariakerk

We hoorden in de lezing uit de Handelingen der apostelen een deel van de Pinksterpreek van Petrus over de persoon en de betekenis van Jezus die alles overstijgt: “Deze Jezus heeft God doen verrijzen en daarvan zijn wij allen getuigen” *). De apostelen zijn getuigen van de verrijzenis. Dit getuigenis is door de kerk doorgegeven en beaamd als de waarheid. De kerk leeft uit die waarheid. Ze staat of valt ermee. Anders leidt ze tot niets.
Vanaf begin zijn er ook stemmen geweest die de Paasboodschap bewust probeerden te ontkrachten. Zo horen we in het Evangelie van Mattheus dat de bewakers van het graf van Jezus in slaap gevallen waren en dat zij hun plicht verzaakt hadden **). Maar de overheidspersonen geven hen geen standje. Ze geven de soldaten zwijggeld en dragen hen op een leugen te verspreiden: “zeg maar: zijn leerlingen zijn Hem in de nacht komen stelen terwijl wij sliepen”.
De apostelen zouden dus maar een sprookje vertellen als ze verkondigden dat Jezus verrezen was, om zo de mensen te misleiden. Maar als dit werkelijk het geval was geweest, dan zouden de Evangeliën niet benadrukken dat vrouwen***) de eerste waren die het graf leeg vonden en de levende Heer ontmoeten.
Want vrouwen mochten niet officieel getuigen. Evenmin als slaven. Alleen volwassen, vrije mannen mochten een rechtsgeldig getuigenis afleggen. Het bijzondere in de Evangelien is juist dat daarin alle eer aan de vrouwen toekomt om de eerste getuigen te zijn. Zij riepen de apostelen om snel te komen om te delen in hun ontdekking van het lege graf. De apostelen zouden moeten getuigen in de wereld.
Hadden christenen een leugen om bestwil willen vertellen dan zouden zij nooit vrouwen als eerste getuigen hebben genoemd. De evangelieen zijn alle vier zonneklaar in hun getuigenis van het lege graf en van de ontmoetingen met de verrezen Heer. Dat zou ons alleen al moeten overtuigen. Vier geschreven documenten van bijna tweeduizend jaar oud. Die met elkaar overeenstemmen ondanks dat ze door verschillende personen geschreven zijn en op onderdelen verschillen.
Wij, christenen, vergeten vaak zelf wat voor een krachtige onderstreping van de waarheid we daarmee hebben. Maar in de ogen van de critici en onverschilligen is het nooit genoeg. Als we ons beroepen op mondelinge overlevering – die in ongeletterde samenlevingen zoals in de tijd van de apostelen doorgaans heel betrouwbaar was – schudden velen het hoofd meewarig: hoe kun je je nou op overlevering baseren voor de waarheid. Maar als we over schriftelijke documenten beschikken, is het ook niet goed. Want dan is het geschrevene bedacht en puur symbolisch bedoeld.
Soms zijn ook christenen zelf die mening toegedaan. Heel gemakkelijk denken ook wij – soms ook om in de ogen van de wereld niet voor dwaas versleten te worden – dat verhaal over de verrijzenis alleen maar symbolisch bedoeld zijn. Maar lieve zusters en broeders, voor iets dat puur symbolisch was, zouden de apostelen en de eerste christenen niet de hele bewoonde wereld van hun dagen zijn rondgetrokken, gevaren hebben getrotseerd, hun leven gegeven. Als de verrijzenis louter symbolisch was – dus iets wat alleen in onze gedachten maar niet in werkelijkheid was gebeurd – zou het getuigenis van de apostelen niet zo krachtig zijn geweest. Velen werden er door geraakt, lieten zich dopen, ondanks de gevaren van uitstoting uit familie en samenleving, die dit met zich meebracht in de eerste eeuwen. En wij in onze tijd mogen na zovele eeuwen voortbouwen op talloze generaties van gelovigen die met hart en ziel hun leven hebben laten bepalen door het geloof in de verrijzenis van Christus.
Is de verrijzenis dan een geschiedkundig feit dat je kunt bewijzen? De verrijzenis heeft wel in deze wereld en in onze geschiedenis plaats gevonden. Het moment waarop het geschiedt, heet daarom in de Bijbel zelfs de volheid van de tijden. Het doel en hoogtepunt van de geschiedenis. Datgene wat aan alles daarvoor en daarna betekenis geeft. Maar de verrijzenis gaat niet op in de geschiedenis, in die zin dat ze zoals elk geschiedkundig feit verleden tijd wordt. De verrijzenis overstijgt de geschiedenis. Het is de eeuwigheid die onze tijd raakt en een nieuwe betekenis geeft. Want we leven niet meer ten dode. Het duister heeft niet meer het laatste woord. De Heer die verrezen is, is daardoor altijd bij ons. Zijn woord en sacrament en het getuigenis van de kerk is vervuld van Hem als levendmakende Geest.
Zo mogen we zelf getuigen worden van de verrijzenis door onze hoop, ons geloof en onze liefde die niet gebaseerd zijn op voorbijgaande aardse zaken of bewijzen, maar aanwijzing van de levende Heer in ons leven en in zijn kerk.
Zijn werkelijke tegenwoordigheid mogen we daardoor ook hoopvol ontdekken in de wereld om ons heen, die immers ook de wereld is van God, de wereld waarover het duister niet het laatste woord heeft, en die mag delen in Gods beloften. De leerlingen krijgen de boodschap te horen: “Gaat naar Galilea. Daar zullen jullie Mij zien”. Daar in hun alledaagse leven.
Dat we soms twijfelen is niet vreemd. Het hangt samen met onze kleinheid als mens, en dat we ons soms alleen voelen in ons geloof, en soms met een mond vol tanden staan als het om de Paasboodschap gaat. Een mysterie kun je niet uitleggen. Maar ons hart gaat telkens weer sneller kloppen en gloeien als we de kerk horen belijden dat de Heer leeft. En door ons doopsel en geloof mogen we nu reeds delen in de dood en de verrijzenis van Christus. Het nieuwe leven stroomt door ons heen. De Heer is waarlijk opgestaan. Alleluia. Amen

Pastoor Martin Los
Lezingen in de Mis op deze 2e Paasdag volgens het r.k. leesrooster: 1e lezing *): Handelingen der Apostelen 2:14,22-33. Evangelie: Mattheus 28:8-15 **)
Afbeelding ***) Het veelluik Passie en Verrijzenis in het heiligdom O.L.V. van Scherpenheuvel