Het geweten als zorg om de wijngaard

Homilie op de 26e zondag door het jaar A 27 september 2020 Mariakerk

Lieve zusters en broeders, elke Evangelieboek is rijk aan woorden en handelingen van Jezus. Bovendien zijn er zelfs vier Evangelisten die verslag hebben gedaan. We kunnen dus elke zondag maar een klein deel uit die rijkdom voorlezen en beluisteren. Dat is genoeg om er elke zondag door geïnspireerd te worden in ons geloof of om geattendeerd te worden op iets van in ons persoonlijk leven en in de gemeenschap verbetering behoeft.
Maar omdat we elke keer maar een gedeelte lezen, weten we meestal niet de context. Wanneer sprak Jezus deze gelijkenis over de twee zonen waarvan de één ja zei en nee deed, en de ander nee zei en ja deed? 1) Ergens aan het begin van zijn optreden als leraar, of halverwege of tegen het einde?
Déze gelijkenis sprak hij in de dagen na zijn intocht in Jeruzalem, op wat nu Palmzondag genoemd wordt. In die tijd sprak Jezus tot de hogepriesters en de oudsten van het volk: “wat denkt ge van het volgende? Een man had twee zonen”.
Jezus is kort te voren door menigte als een koning binnengehaald. Maar wat voor een koning zal hij zijn? Een gewone machthebber of één die in liefde dient en alle harten verovert? Het gaat er dus om spannen. Hoe zullen de religieuze leiders reageren? Ze kijken met argwaan naar hem.  Hun hart verhardt zich. Daarom daagt Hij hen uit om bij zichzelf te rade te gaan.
Ongeveer drie jaar eerder trad Johannes de Doper op. Hij werd vermoord ten gevolge van zijn verkondiging in de gevangenis. Wie bekeerden zich op zijn boodschap? Mensen van wie je het niet verwachtte? Tollenaars en prostituees. Zij, de religieuze leiders, bleven onbewogen. Ze gingen over tot de orde van de dag. Waren zij zulke slechte mensen? Nee, maar achter een fatsoenlijke voorkomen, kan toch een minder mooi leven schuil gaan. Wie heeft niet ooit een verkeerde keuze gemaakt? Niemand die zijn memoires of autobiografie schrijft laat het achterste van zijn tong zien.
Had de prediking door Johannes de Doper dat het koninkrijk van God nabij was, hen niet intens blij moeten maken? Dat houdt Jezus hen voor. Hadden ze niet de kans aan moeten grijpen een nieuw leven te beginnen, vervuld van Gods genade? De tollenaars en prostituees en andere mensen die voordien het publieke leven schuwden, hadden die kans met beide handen aangegrepen. Maar zelfs toen ze dat zagen bleven personen die publieke verantwoordelijkheid droegen en in aanzien stonden, onverschillig.
Nu Jezus door de menigte als koning is ingehaald, dreigt een herhaling van de dagen van Johannes te Doper. Want ook nu zijn het de mensen aan de zelfkant van het leven die nu Jezus verwelkomen en in hem Gods liefde en genade herkennen. Maar de zelfbewuste en verantwoordelijke mensen sluiten hun hart voor Jezus en voor zijn boodschap van verzoening en genade.
Jezus nodigt degenen die hem met argwaan bekijken uit om bij zichzelf te rade te gaan. Als ze dit allemaal zien gebeuren, moeten zij zich dan ook niet gewonnen geven aan Gods genade. Die genade die het leven glans geeft, die alle sleur doorbreekt, en die vrijmaakt van verborgen angst en voor oordelen over anderen.
Dat is ook telkens weer de vraag aan iedere mens. Ga bij jezelf te rade. Is het verantwoord wat je doet.
In het beeld van de gelijkenis lijkt het leven op werken in een wijngaard, vaak inspannend werk aan de ene kant, maar aan de andere kant met heerlijk vooruitzicht op de oogst en het wijnfeest. Bovendien werken we daarin niet als slaven maar als zonen, kinderen van God. Hij neemt ons in de arm als medewerkers. Maar omdat we geen slaven zijn, maar zonen en dochters heeft Hij ons de vrijheid geschonken om mee te doen of niet.
God heeft ieder van ons dus een eigen verantwoordelijkheid gegeven om op elk moment ons af te vragen of we ons gedrag. kunnen verantwoorden. In de eerste plaats naar onszelf. Willen we die mens zijn die onverschillig blijft waar mensen opbloeien door Gods genade.
De oudsten en hogepriesters die Jezus afwijzen, zijn als de zoon die ja zegt tegen de vader die hem vraagt in de wijngaard te werken, maar hun verantwoordelijkheid niet nemen. Ze gaan niet bij zichzelf te rade om tot de conclusie te komen: eigenlijk kan het niet wat ik doe. De andere zoon zegt nee, maar krijgt spijt. Dat wil zeggen: hij gaat bij zichzelf te rade. Hij is zich plotseling weer bewust van zijn verantwoordelijkheid en zegt tegen zichzelf. Dit kan ik niet waarmaken. Daarom, hoewel hij eerst ‘nee, vader’ gezegd heeft, gaat hij toch aan de slag in de wijngaard.
Jezus houdt de publiekelijk verantwoordelijken in Jeruzalem voor: denk na, ga bij je zelf te rade. Kun je verantwoorden wat je nu doet? Je hebt toch een geweten. Als je niet meer naar je geweten luistert ben je als iemand die ja zegt, maar nee doet. Dan verval je tot onverschilligheid. Alsof je geen geweten hebt. Dan ga je alles wat je doet goed praten en kom je van kwaad tot erger. We zien zulke ontwikkelingen ook in onze maatschappij.
Jezus is in de wereld gekomen om ons mensen de vrijheid te geven van Gods kinderen. We mogen steeds opnieuw beginnen als we tot het inzicht komen dat we niet goed gehandeld hebben. Waar de wereld tegen ons zegt: je zit voor altijd vast aan je verleden, voor altijd aan de verkeurde keuzes die je gemaakt hebt- één is al genoeg – daar schenkt Jezus ons de vrijheid door Gods liefde ons mee te delen. Hij is aan de mensen gelijk geworden, en als mens verschenen heeft hij zich vernederd door gehoorzaam te worden tot de dood, de dood aan het kruis. Daarom heeft God hem hoog verheven en de naam gegeven boven alle namen uit. Amen. 2)

(c) Martin Los

Schriftlezingen op deze 26e reguliere zondag door het jaar volgens het r.k. liturgische leesrooster

1) Evangelie: Mattheus 21:28-32
2) 1e lezing: Filippenzen 2:1-11

Schapen en bokken. Een ongemakkelijke gelijkenis

Preek op het feest van Christus Koning 26 november 2017 Mariakerk en Willibrordkerk

Lieve zusters en broeders, de gelijkenis van de schapen en de bokken *), is bij veel mensen populair. Want het is mooi om in de armen en misdeelden het gezicht van Christus te zien. Dat maakt Christus concreter voor ons. En zo krijgen gevangenen, thuislozen, zieken en zwakken van deze wereld de ereplaats die hen toekomt in het rijk van God. Ook vinden we het terecht dat de Heer degenen die geheel belangeloos hebben omgezien naar de armen, beloont. Zij krijgen toegang tot zijn eeuwige koninkrijk.
Heel begrijpelijk dat mensen in de kerk en buiten de kerk graag deze gelijkenis aanhalen in discussies over armoede en ongelijkheid in de wereld. Ze wordt ook regelmatig gekozen als lezing in bijzondere vieringen, huwelijken, uitvaarten.
Maar – en dat is opvallend – alleen voor de helft. Het tweede deel, dat van de bokken, wordt altijd weggelaten. Ook dat is begrijpelijk, want daar is sprake van mensen die buitengesloten worden omdat ze geen barmhartigheid hebben getoond naar de zwakkeren in de samenleving. Wij leren dat je niemand mag buitensluiten. Hoe kan dan God wel mensen buitensluiten van de vreugde van zijn koninkrijk. Voor eeuwig nog wel?
Bovendien: we hebben toch een beetje de neiging de gelijkenis op onszelf te betrekken. Wie van ons kan zeggen dat hij of zij nooit tekort is geschoten ten opzichte van mensen in nood. Zijn we niet soms te veel met onszelf bezig geweest?
In gesprekken met ouderen blijkt dit vaak éen van de prangende kwesties te zijn. Dat je terugblikt op je leven en dat je je situaties herinnert waarin je te weinig oog had voor mensen in je omgeving die het moeilijk hadden; die een beroep op je deden vanuit hun nood. Door hun schulden, hun eenzaamheid of behoefte aan verzoening, of gewoon behoefte aan een vriendelijk woord. Want mensen kunnen gevangen zitten in een cel, maar ook in eenzaamheid, of armoede, of schuldgevoelens. Als je ouder wordt en terugblikt op je leven, kan je die gedachte dat je anderen soms in de steek gelaten hebt, best benauwen.
Verandert deze gelijkenis als we niet alleen het eerste deel horen, maar ook het tweede deel niet in een boze droom?
Werpt deze gelijkenis ons niet terug in grote onzekerheid of we wel goed geleefd hebben? Mogelijk steekt toch hier en daar twijfel de kop op of die Jezus die Gods liefde predikt, niet met de ene hand geeft wat hij met de andere terugneemt.
Belangrijk is de vraag zoals altijd: wanneer spreekt Jezus deze gelijkenis? Het is in de dagen voor zijn gevangenneming. Net zoals de gelijkenissen op de vorige twee zondagen, van de wijze en dwaze meisjes, en de talenten. Nog even en hij zal door de mensen overgeleverd worden en gekruisigd. Iedereen zal zeggen dat hij een loser is, een mislukking, een godslasteraar. Maar de leerlingen zullen zich deze gelijkenis herinneren. Dat hij de overwinnaar is, de Heer aan wie alle macht toekomt. Hij zal het opnemen voor degenen die barmhartigheid hebben bewezen. Hij zal tonen dat de barmhartigheid overwint. Hij zelf is het toonbeeld van Gods barmhartigheid.
Heel deze gelijkenis is een scherp protest tegen alle onbarmhartigheid in de wereld. Het is een hart onder de riem van iedereen die zich barmhartig toont tegenover mensen die weerloos en kwetsbaar zijn.
De boodschap is duidelijk: onbarmhartigheid is fout. En het loont niet. Op korte termijn voel je je misschien sterk door je niet het lot van anderen aan te trekken, maar het sluit je buiten van de vreugde van de Heer. De vreugde waartoe God de mens geschapen heeft. De eeuwige vreugde die ons leven de uiteindelijke betekenis geeft.
De gelijkenis is vooral bedoeld om ons het laatste oordeel voor ogen te stellen en te waarschuwen voor alle onbarmhartigheid. De bokken zijn niet degenen die niet een of twee keer onbarmhartig waren, maar steeds in elke situatie opnieuw, tegenover iedereen en altijd. Als ons hart verhard is en wij geen genade kennen voor anderen, in welke omstandigheid dan ook, hoe zou God ons dan genadig kunnen zijn?
Toch laat het kruis van Jezus zien dat mensen zich door Gods liefde kunnen laten bekeren. Zolang iemand leeft is het nooit te laat om tot inkeer te komen, berouw te tonen voor alle keren dat hij onbarmhartig was.
De gelijkenis van de Heer die de schapen en de bokken scheidt, moet ons niet met zorg of schrik maar met hoop vervullen. Want onze tekortkomingen die ons in eigen hart aanklagen, vult Jezus Christus aan met zijn overvloed aan liefde. En een onbarmhartigheid die we begaan hebben, kan ons bewegen tot berouw. God is groter dan ons hart.
Jezus wil ons vervullen van hoop waardoor we vol verwachting durven zijn van zijn wederkomst en van het eeuwige leven. Hij komt op ons toe en spoort ons aan.
Daardoor krijgen we energie om hart voor mensen in nood te hebben. Midden in een wereld vol onbarmhartigheid, en ook cynisme en apathie alsof er geen kruid tegen de harteloosheid gewassen is. Om met volle overtuiging de we van de barmhartigheid te bewandelen. Het vervult ons met vreugde. Ons hart gaat snellegr kloppen bij de gedachte dat zo het koninkrijk van God is ‘dat vanaf de schepping voor ons is weggelegd’. Amen

© pastoor Martin Los
*) Evangelielezing op het feest van Christus Koning: Mattheus 25:31-46