Aangeraakt tot nieuwe mens

Homilie zondag 6 door het jaar 14 februari 2021 Mariakerk en Willibrordkerk

“Als Gij wil, Heer, kunt Gij mij reinigen” 1)
Lieve zusters en broeders, niet bij elkaar op bezoek kunnen, anderhalve meter in acht nemen, een avondklok, geen feesten, geen Carnaval, wie had dat een jaar geleden kunnen denken. Door de lange duur voelt het verbod op contact met elkaar steeds zwaarder aan. Alsof we allemaal op onze hoede moeten zijn voor elkaar. We kunnen ons nu beter indenken in medemensen die altijd al verstoken zijn van normaal menselijk contact. Dat zijn er veel meer dan we denken.
Het verhaal van de genezing van de melaatse beluisteren we nu heel anders dan voorheen. Het is alsof we door het virus allemaal een beetje melaats zijn. In die tijd betekende dit dat je helemaal buitengesloten werd van de gemeenschap. Als iemand per ongeluk in de buurt kwam van een melaatse, moest deze luidkeels roepen: “onrein”. Met andere woorden: Kijkuit. Houd afstand. We voelen nu allemaal aan den lijve dat het betekent dat we snakken naar normaal contact.
Het was tegen alle regels in dat de melaatse Jezus zo dicht naderde en hem voor de voeten viel met de woorden: “Als Gij wilt kunt Gij mij reinigen”. In plaats van de man weg te sturen omdat hij de regels overtrad of omdat hij een gevaar vormde, of omdat contact met een melaatse betekende dat Jezus zelf ook in quarantaine moest, werd hij met medelijden bewogen. Medelijden, compassie, is iets anders dan iemand zielig vinden. Het wil zeggen dat je diep geraakt wordt door de ander en je verplaatst in de ander die op je weg komt. Dat de ander in al zijn kwetsbaarheid kostbaar is in je ogen. Je zet even alles en iedereen opzij en je opent jezelf voor de ander. Dat is wat Jezus doet met hart en ziel. Hij kan en wil niet om het lot van die ander heen. Omdat die mens daarvoor hem hem aangesproken heeft op wie hij is: “Als Ge wilt kunt Gij mij reinigen!” Melaatsheid gold als een ongeneselijke ziekte. Reiniging kon alleen God als de heilige bewerken.
De melaatse spreekt Jezus aan als de verlosser die in de wereld komen zou. Hij heeft al zijn hoop om hem gevestigd. Met heel zijn melaatse huid en haar: “als Gij wilt kunt Ge mij reinigen”. ‘Als u handelt vanuit uw roeping om de mens te redden, dan bent u in staat mij te reinigen’. Hij zegt niet: Als ge wilt kunt gij mij van mijn melaatsheid verlossen, maar: “dan kunt ge mij reinigen”. Mij als totale persoon. Opnieuw geboren.
De genezing door Jezus in geloof is nooit een genezing van een ziekte op zichzelf, een onderdeel van ons bestaan. Een probleem dat moet worden opgelost. Het gaat om de hele persoon. Dat we een nieuwe mens worden. Dat is in deze coronatijd dé vraag aan ons: “als straks iedereen die dat wil gevaccineerd is, als we straks weer los kunnen gaan, is dan het probleem geklaard? Of zijn we ons bewust geworden, dat een andere levensstijl nodig is, dat we minder bezig zijn met de bevrediging van onze grenzeloze behoeften, maar meer met wat er toe doet: de aandacht voor onszelf als mensen die behoefte hebben aan Gods nabijheid,  de aandacht voor al wat kwetsbaar is, medemensen, de aarde en alwat daarop is.
We zullen het straks zien:  de een gaat weer over tot de orde van de dag en hervat zijn oude leven, de ander is tot bezinning gekomen, maakt andere keuzes dan vroeger en pakt de dingen anders aan, ziet nieuwe mogelijkheden om bewuster mens te zijn te midden van de anderen.

Na zijn genezing zendt Jezus de man naar de priester in de tempel. Zo was het bepaald in de wet van Mozes. De priester moest de melaatsen die gereinigd waren, genezen verklaren. Hij moest ze weer opnemen in de gemeenschap. Dat was niet de taak van de dokter, maar van de priester. Een echt nieuw leven beginnen start met de erkenning door de gemeenschap. Wij hebben haar nodig nodig en de  gemeenschap heeft ons nodig. De volledige gemeenschap is de gemeenschap van God en mensen. Daar staat de priester asl verbindingsman symbool voor. Dat we God ter harte gaan, zoals de melaatse Jezus innerlijk bewoog.
Het priesterschap in de kerk is anders dan in de tijd van de tempel. Maar nog steeds herinnert het priesterschap de mensen eraan, dat er aan onze leven ook een goddelijke dimensie is. Dat wij mensen niet alleen verlangen elkaar aan te raken, maar dat we ook niet buiten de aanraking van God kunnen, en ook niet hoeven.
Met name de sacramenten die de priester mag bedienen herinneren ons eraan.
De opname in het geboorteregister maakt ons tot burgers. Dat is mooi. Maar de doop vertelt dat we ook kinderen van God zijn. Dat God ons mens maakt en doet verlangen naar zijn rijk. Als we de eucharistie vieren en ter communie gaan, zeggen we daarmee dat een mens niet leeft van brood alleen. Als ons leven schipbreuk lijdt, gaan we terecht naar allerlei hulpverleners, maar in de biecht scheldt God ons alle schulden kwijt op een manier dieper gaat dan een mens kan. En als iemand een ziekenzalving vraagt – en de priester begeeft zich door sneeuw en ijs, zoals ik van de week –  dan is dat niet omdat dat de priester nog wat anders achter hand heeft dan de dokter. Nee, hij mag zeggen: God is er ook nog, je bent niet alleen ten dode opgeschreven als ernstig zieke mens, wees dus niet bang. Je bestaat als gehele persóón voor God, .
Het is nodig dat we weer meer aandacht krijgen voor de sacramentaliteit van de kerk. Christus zelf is in ons midden. Hij schenkt ons Gods nabijheid. Hij reinigt ons en hij verklaart ons rein door het geloof in hem. Het geloof dat zegt: “Als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen”. Amen

pastoor Martin Los

1) Evangelielezing van deze 6e zondag volgens het r.k. lectionarium voor zon een feestdagen: Markus 1:40-45
Afbeelding: de genezing van de melaatse (Rembrandt van Rijn)

Zorg voor de ziel

Preek op de 16e zondag door het jaar op 21 en 22 juli in de Mariakerk en Willibrordkerk

“Jezus voelde medelijden met hen want zij waren als schapen zonder herder” 1).
Vorige week hoorden we hoe Jezus zijn leerlingen erop uit zond om de mensen op te roepen tot een ommekeer en een nieuw leven te beginnen. Ze moesten ook de zieken genezen. De Heer zond hen als boodschappers voor zichzelf uit om de harten van de mensen voor te bereiden om hemzelf te ontvangen.
Twee aan twee zijn de leerlingen op weg gegaan. Ze hebben de boodschap van Jezus verkondigd in de dorpen en de steden. Nu zijn ze teruggekeerd. Vol verhalen over wat ze meegemaakt hebben. Moe van alle inspanning die ze hebben gedaan. Want ze hadden alles natuurlijk te voet moeten doen en ze hadden helemaal niets bij zich.
Heel zorgzaam nodigt Jezus hen uit om met hem in een boot te stappen en zich even terug te trekken op een stille plek en uit te rusten.
Onze Heer is geen slavendrijver die zijn dienaren uitput. Hij gunt hen de rust die ze nodig hebben om tot zichzelf te komen en hun ervaringen te verwerken.
In onze moderne vierentwintiguurseconomie is er nauwelijks nog plaats voor rust. In elk geval zijn er weinig gemeenschappelijke rustmomenten. Gemeenschappelijke events waar duizenden aan deelnemen zijn er genoeg, maar gemeenschappelijke momenten van stilte en rust niet meer. De zondag – ooit de rustdag voor iedereen – heeft zijn karakter verloren. Velen zijn daar niet rouwig om. Men voelt het als bevrijding omdat de zondag door de Calvinistische ernst in ons land als beperking werd ervaren, een dag zonder plezier. Maar zo was de zondag als dag van de verrijzenis niet bedoeld.
Zoveel mensen leven in onze tijd gejaagd. Een burnout is een alledaags verschijnsel geworden, zelfs al onder jongeren. De druk op ons allen die deel uit maken van de samenleving is groot. Omdat we het zo gewend zijn, weten we vaak niet beter. Maar als we dan even op vakantie zijn ervaren we de rust die we anders zo vaak missen en eigenlijk zo nodig hebben om geïnspireerd en creatief te blijven.
De ziel van mensen vraagt om rust en bezinning. Maar omdat ze niet zichtbaar is zien we haar gemakkelijk over het hoofd, luisteren niet naar haar wensen. Anders dan de materiele werkelijkheid en geld waar de economie om draait. Die is zichtbaar.
Is onze ziel – dat mysterie dat we zelf zijn – niet veel belangrijker? “Ja” zal iedereen zeggen om vervolgens weer over te gaan tot de orde van de dag, de overvolle agenda’s.
Jezus wil de hoeder zijn van onze zielen. Daarvoor is hij in de wereld gekomen. Daartoe heeft hij zijn leerlingen naar de dorpen en de steden gezonden. Daartoe heeft hij ook óns geroepen en geraakt en onder de mensen gezonden. Maar juist omdat hij als geneesheer voor onze zielen is gekomen, schenkt hij zelf rust. Hij overvraagt ons niet. Ja, we mogen zelfs vanuit de rust beginnen. Als teken daarvan is de zondag voor ons, christenen, nog steeds de eerste dag van de week. In plaats van de laatste dag en onderdeel van het weekend. Voordat we op maandag aan de slag gaan, beleven we de vergeving en verzoening en verrijzenis die we op de zondag vieren. We hoeven niet volmaakt te zijn, en God richt ons steeds weer op als zijn kinderen. Wat een rust!
Waar geen rust is, is geen mogelijkheid tot bezinning. En bezinning is wezenlijk voor ons mensen, omdat we geen machines zijn, maar een ziel hebben, ja, een ziel zijn. We hebben bezinning nodig om te ontdekken wie we zijn, of we op de goede weg zijn, wat de belangrijkste waarden in ons leven zijn. Luisteren naar de stem van ons eigen hart. Misschien horen we daardoor dan wel de stem van God.
Ik moet altijd denken aan de koeien in de wei die nadat ze hun buik gevuld hebben met gras, gaan liggen en het gras opboeren en herkauwen. Zo moeten wij als het ware onze ervaringen, herinneringen, opnieuw doordenken, erover mijmeren om eruit te halen wat voedsel is voor ons ziel.
Wanneer we tot rust komen, hebben we niet alleen de mogelijkheid om naar ons eigen hart te luisteren, maar ook hebben we dan de tijd om echt naar anderen te luisteren. We hebben echt dringend mensen nodig die goed kunnen luisteren. Niet alleen professioneel, maar gewoon in ons leven van alledag. Wat een zegen als er iemand is in de familie, op het werk, in de gemeenschap bij wie je een luisterend oor vindt. Juist als geloofsgemeenschap mogen we een luisterend oor voor elkaar zijn. Daar zouden we in onze omgeving bekend om moeten staan.
De leerlingen van Jezus die hij uitgezonden had, hadden door hun boodschap het verlangen bij een grote menigte van mensen gewekt. Ze wachten niet af tot hij kwam. Ze kwamen in drommen naar Jezus toe. Ze wisten hem zelfs te vinden toen ze met een scheepje naar een eenzame plaats waren gevaren. Ze waren er zelfs al eerder, vertelt Markus.
“Jezus voelde medelijden met hen want zij waren als schapen zonder herder”. Wat moet het moeilijk geweest zijn voor Jezus. Wéten wat er in de harten van de duizenden mensen leefde, wéten wat iedereen nodig had, weten dat Hijzelf ieder kon geven wat elke mens nodig had. De liefde van God. Een leven vol genade. Een leven dat niet gedomineerd wordt door druk en stress, maar door de wetenschap dat je een kind van God bent en je gerust kunt zijn.
Maar zouden de mensen zijn boodschap aanvaarden en begrijpen? Zouden ze Hem volgen als zijn liefde Hem tot het uiterste dreef en Hij zijn leven gaf uit liefde voor de wereld. Steeds weer lijken grote groepen mensen te kiezen voor leiders die spierballen tonen en opscheppen, maar verwarring en verdeeldheid zaaien. Maar de ware herder geeft zijn leven voor de schapen. Zullen ze hem herkennen?
Maar ook Hijzelf vond steeds de rust. Bij zijn hemelse Vader. Die zou hem niet in de steek en die zou zijn missie niet laten doodbloeden. Hij vertrouwde dat de Vader de Heilige Geest zou zenden om zijn leerlingen zijn zending voor te laten zetten: rust en verkwikking schenken aan de zielen van de opgejaagde mensen. Wat fijn als we dat zelf ervaren. Op adem komen bij Jezus en bij God. Wie weet mogen we daardoor ook herder zijn voor elkaar en voor deze wereld. Amen

(c) Pastoor Martin Los
1) Evangelielezing volgens het universele r.k. leesrooster van deze zondag: Markus 6:30-34
Afbeelding: http://www.boerengroep.nl/lekker-buiten/koe-in-de-wei/