Preek op de 24e gewone zondag door het jaar 17/18 september 2016 Mariakerk en Willibrordkerk

Niet streng, maar duidelijk

Lieve zusters en broeders, uit mijn schooltijd herinner ik mij onderwijzers en leraren die zich vriendelijk voor deden. Tenminste zolang je precies deed wat zij wilden. Anders vielen ze uit hun rol. Werden boos. Werden sarcastisch en zetten je voor schut. Je wist niet wat je aan ze had. Maakten je onzeker.
Er waren ook docenten die zich wat strenger opstelden, maar die in de praktijk begrip hadden voor hun leerlingen. Ze oogsten, in elk geval achteraf, onze waardering. U kent ze uit eigen ervaring. Streng, maar rechtvaardig, noemen we zulke leraren, vaders, moeders, leidinggevenden.
Ik gebruik in plaats van het woordje “streng” liever een ander woord. Het woord “duidelijk”. Streng betekent dat een leraar of een ouder strakke regels hanteert en bij het minste of geringste straffen uitdeelt. Zo iemand jaagt leerlingen of kinderen schrik aan. Ze gehoorzamen, maar uit angst. Daardoor durven ze zichzelf niet te ontwikkelen.
lijnopvoetbalveldDuidelijk is een opvoeder die zichtbare lijnen uitzet als op een speelveld. Als een kind over die lijn gaat, geeft ze dat aan, legt ook rustig uit wat er fout ging. Spoort aan om beter op te letten. Geeft een schouderklopje. Zo leren kinderen verantwoordelijkheid. Ontwikkelen een gevoel voor welke regels je soms mag overtreden omdat er iets belangrijkers op het spel staat. Zo leren ze echte waarden kennen en eerbiedigen. Zo leren ze ook normen hanteren op een vruchtbare manier.

De Schriftlezingen *) van vandaag zetten ons aan het denken over hoe we God mogen zien als opvoeder. Hij is onze Vader in de hemel. In de Tien geboden heeft Hij duidelijke lijnen uitgezet voor het leven op aarde. En in het geweten van iedere mens heeft Hij een zeker maar fragiel besef van goed en kwaad neergelegd. Hoe gaat God die zelf volmaakt is, om met onze onvolmaaktheid? En moet dat ook niet het voorbeeld zijn voor hoe wij omgaan met elkaars zwakheden?
Dat is in deze tijd ook zeker actueel. Want de roep om hard optreden klinkt deze tijd steeds sterker. Mensen willen maximale vrijheid voor zichzelf in handelen en in spreken, maar voor de ander is er steeds minder begrip en plaats.
Is God niet die strenge onverbiddelijke grootheid die iedereen schrik aanjaagt? Die omdat hij volmaakt is en rechtvaardig, wel móet straffen omdat hij anders zichzelf zou verloochenen, zijn eer moet handhaven. Dat is het beeld dat velen van God hebben. Onder sommige gelovigen maar ook onder hen die geloof afzweren precies omdat godsdienst hen herinnert aan bevreesd zijn voor een strenge God.
Het beeld van die strenge God lijken we tegen te komen in het verhaal van het gesprek van de Heer en Mozes. God ziet dat het volk meteen al afwijkt van het verbond dat Hij met hen gesloten heeft. Hij zegt tegen Mozes: “ik zal hen vernietigen. Dan begin ik met u opnieuw en ik zal u tot een groot volk maken”. Maar Mozes werpt tegen: “God, kijk nou eens wat een macht u getoond heeft door dit volk te bevrijden. Dat was dan toch helemaal voor niets? En denk eens aan wat u aan Abraham en daarna aan Izaak en aan Jakob beloofd hebt. U breekt dan toch uw belofte?”
Is die kleine Mozes grootmoediger dan God? Dat lijkt zo. Een adembenemende gedachte. Een kleine mens is in staat die grote God tot andere gedachten te brengen? Ja, maar dan moeten we bedenken dat Mozes Gods dienaar is. Geen tegenstander. Juist omdat Mozes opkomt voor zijn volk en niet aan zichzelf denkt en aan zijn eigen glorie, toont hij zich beeld van God, vriend van God. Mozes turnt God om zo te zeggen niet om, maar hij houdt God voor hoe hij God heeft leren kennen, hoe God zelf is: een barmhartige God die zijn volk bevrijdt heeft, een trouwe God die zijn beloften nakomt ook als de andere partij zijn beloften niet nakomt.

Wanneer de kerk verkondigt dat God barmhartig is, dan spelt ze de mensen niets op de mouw omdat de gedachte aan God anders onverdraaglijk is. Nee, met de boodschap dat God barmhartig is, is ze Gods spreekbuis.
Daarom moet de kerk die barmhartigheid niet alleen verkondigen, maar ook zelf in praktijk brengen. Paus Franciscus vergelijkt de kerk met een veldhospitaal in oorlogstijd waar de gewonden worden binnen gedragen. Jezus verkondigt die goddelijke barmhartigheid op niet mis te verstane wijze in de gelijkenis van de herder die het verloren schaap gaat zoeken en op zijn schouders terug brengt. Over dat ene verloren schaap is meer vreugde dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben. God schrijft geen mens af.

De apostel Paulus verkondigde Gods barmhartigheid met grote vurigheid tegenover hen die meenden dat maar een kleine selecte groep in Gods ogen er toe deed. Hij deed dat met overtuiging en passie. Want hij was zelf een godslasteraar, een vervolger en geweldpleger geweest. Paulus zegt: ”God heeft mij barmhartigheid bewezen omdat ik niet wist wat ik deed. Ik dacht dat ik God kende door mensen te vervolgen, maar ik kende God eigenlijk nog helemaal niet. Totdat ik Jezus Christus leerde kennen”. Paulus was zelf een verloren schaap geweest dat Jezus als de goede herder op zijn schouders had teruggebracht. Paulus stond zelf model voor Gods barmhartigheid.

Barmhartigheid is niet dat God alles goed vindt. Dat is onverschilligheid. Verwaarlozing. Barmhartigheid is juist actieve betrokkenheid. God is barmhartig doordat hij niet ophoudt op de deur van ons hart, soms verharde hart, te bonzen, ons nieuwe kansen te geven. Hij raapt ons elke keer weer op. Zet ons elke keer weer op het goede spoor. Zo voedt God ons allen op. Hij heeft de lijnen duidelijk uitgezet. De Tien geboden, ons eigen geweten. Maar hij houdt rekening met onze onwetendheid, onze tekorten, onze zwakheid, onze groei.
Daarom moeten wij, mensen, ook zo doen. Dan lijken we op God. Als kinderen van de Vader in de hemel. We zien in Jezus die geleden heeft aan het kruis, het volmaakt beeld van Gods barmhartigheid. En alwie in Jezus, de lijdende knecht van God, gelooft, is door dat geloof gerechtvaardigd. Een nieuwe mens. Wat we in Mozes in zijn gesprek met God zagen, zien we vervuld en volmaakt in Jezus die het Lam Gods is dat de zonden der wereld wegdraagt.
Jezus heeft zichzelf ons in handen gegeven opdat wij niet met lege handen voor God verschijnen, maar het volmaakt offer van zijn leven dat we mogen opdragen voor heel de wereld. Zo mogen we als kerk beeld zijn van Gods liefde en barmhartigheid.
Moge dat doorwerken in ons eigen leven, onze acceptatie van onze eigen tekorten, onze omgang met elkaar, de opvoeding van onze kinderen, het onderwijs van de jongere generatie, en onze solidariteit met de zwaksten in de samenlevingen, de ontheemden. Amen

© Pastoor Martin Los
*) Schriftlezingen voor de gewone 24e zondag door het jaar uit het universele leesrooster van de rooms-katholieke kerk: 1e lezing Exodus 32:7-11,13-14; 2e lezing Timotheus 1:12-17; Evangelielezing: Lucas 15:1-10

Homilie op de 28e zondag door het jaar in Mariakerk 10/10 en Willibrordkerk 11/10 2015

Voorgeschreven lezingen voor deze zondag uit het universele lectionarium van de r.k. kerk: Wijhsheid 7:7-11; Hebreeen 4:12-13; Evangelie: Markus 10:17-30

Lieve zusters en broeders, de man die voor de voeten van Jezus op de knieën, valt, roept: “Goede Meester!” Hij spreekt onze Heer dus aan op zijn leraarschap.
Dat is een goede aanleiding om even stil te staan bij hoe wij in onze tijd tegen een leraar, juffen en meesters aankijken.
In onze tijd komt steeds meer nadruk te liggen op het zelflerend vermogen van de kinderen. In plaats van kant en klare leerstof over te dragen, die je uit het hoofd moet leren, wijst de leerkracht de leerlingen de weg hoe je informatie op kunt zoeken en kennis moet vergaren.
Dat komt natuurlijk door de computers die een onuitputtelijke bron van informatie zijn. Het is inderdaad belangrijk dat kinderen leren hoe je aan kennis en informatie komt, want als ze later op eigen benen komen te staan, moeten ze ook hun weg vinden in een onzekere wereld die steeds aan verandering onderhevig is.
Maar is een leerkracht dan alleen een soort doorgeefluik van informatie of hoe je aan informatie kunt komen, een soort medewerker aan een informatiebalie voor leerlingen?

Een leraar is meer. Zij is voor de kinderen ook iemand die met hen meeleeft. Iemand aan wie ze zich toevertrouwen. Iemand aan wie ze zich optrekken en als voorbeeld nemen. Iemand door wie ze iets van de zin van het leven proeven.
Een leraar wil de leerlingen vormen tot mensen die als volwassenen weten welke waarden belangrijk en betrouwbaar zijn.
Die waarden moet een leraar zelf ook uitstralen tegenover de klas en de kinderen. Een leraar die de kinderen voorhoudt dat ze niet mogen pesten, maar wel  kinderen voortrekt of negeert, is niet geloofwaardig.
Kortom, onderwijs kan niet zonder persoonlijke betrokkenheid tussen leraar en leerling.

rijkejongeling2015Jezus is ook een meester. Laten kijken hoe persoonlijk hij betrokken is. “Goede meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?” vraagt de man die zich voor hem op de knieën werpt”.
Jezus antwoordt door als een echte meester te beginnen wat de man weet: “Je kent de geboden…….”
De man is opgevoed met de visie dat als je de geboden van God volgt, je een gelukkig mens bent. “Meester, dat alles heb ik zorgvuldig gedaan, vanaf mijn jeugd” antwoordt de man.

Let nu op de persoonlijke betrokkenheid van meester Jezus: “Hij keek hem liefdevol aan”.  Letterlijk: “Terwijl hij hem aankeek, toonde hij hem zijn liefde.”
Hier gebeurt iets. Wanneer een juf aan een kind in de klas haar hart opent, ervaart dat kind dit ook.
Jezus opent zijn hart voor de man. Dat voelt de man natuurlijk. Dat raakt hem diep.

Laten we dat nooit vergeten als wij met onze levensvragen bij Jezus komen.
Het is belangrijk dat we dan Jezus’ liefdevolle blik zien, zoals de man in het Evangelie die zag. In de liefdevolle blik voelen we ons gekend en bemind.
De weg die de Jezus ons wijst, is een bewijs van zijn liefde.
Hij is niet die van een leraar die ons voor onmogelijke opgaven stelt en zware lasten oplegt die we niet kunnen volbrengen.
Het is zijn liefde waardoor we ons gekend en gesterkt voelen en niet bang zijn te falen.

Vanuit Jezus’ liefde voor de man gunt hij hem het beste: “Verkoop al was je hebt, geef het aan de armen, en volg Mij”.
We moeten goed begrijpen dat Jezus hier niet een onmogelijke barrière opwerpt. “Verkoop was je hebt en geef het aan de armen” zegt Hij. Dat wil zeggen: “Je bent er bijna. Nog één stapje” Als je bij Jezus komt, omdat je niet echt gelukkig bent, dan ben je er bijna. Nog maar één laatste stapje.

Voor ieder die Jezus uit liefde roept hem te volgen zal dit weer anders zijn. Voor de één kappen met een verkeerde gewoonte, voor de ander een punt zetten achter zijn verslaving, voor een ander jezelf niet op de eerste plaats stellen.
Dat lijken soms onmogelijke opgaven vanuit onszelf.  We weten het wel, maar we lijken verstrikt. Jezus ziet ons aan en bemint ons en zegt: “je kunt het! Toe, doe het. Doe het nu. Ik sta achter je!’
Jezus is niet de strenge rechter die de lat te hoog legt voor mensen zoals wij. Hij is altijd opnieuw de goede Herder die het verdwaalde schaap zoekt.

Maar de man ging toch bedroefd heen “omdat hij veel goederen bezat”? Ja maar dat betekent niet dat hij geen volgeling van Jezus zou worden.
Het betekent dat hij voelde dat Jezus in de roos geschoten had. Al was hij nog zo’n vroom en voorbeeldig mens, hij zat vast aan zijn bezit. Daardoor was hij niet gelukkig. Maar hij wist nu waar zijn innerlijk ongenoegen vandaan kwam. Zijn weg van bevrijding kon nu beginnen. Dankzij meester Jezus.
Misschien is hij wel die Jozef van Arimathea. Die rijke man die graag zijn graf aanbood om het lichaam van de Heer in te leggen.

De vraag aan ons is natuurlijk in hoeverre wij vast zitten aan onze rijkdom.
Zien we onze rijkdom als ons bezit dat alleen voor onszelf is om van te genieten. Of zien we onze rijkdom ook als een kans om anderen te helpen.
Dat is volgens ons christelijk geloof de betekenis van rijkdom. Dat je daardoor anderen die in nood zijn, blij kunt maken, en weer moed geeft.
Zo mogen we kinderen en dienaren van God zijn, van Hem die er zelf vreugde in schept om aan zijn schepselen het goede te geven.
Onze overvloed en rijkdom zijn als het ware hulpgoederen die we vol blijdschap namens God en namens Christus mogen verspreiden.

De vraag of wij aan onze rijkdom vastzitten, is vandaag weer heel actueel door de stroom vluchtelingen die in de wereld allang op gang is, maar nu ook heel dicht bij ons komt. Er zijn verschillende politieke meningen mogelijk. Tegen vluchtelingen zeggen dat ze hier een schuilplaats hebben totdat ze weer terug kunnen keren. Of dat ze mogelijk hier kunnen blijven. Dat zal de tijd voor het grootste deel leren.

Maar niets doen, vluchtelingen de rug toekeren, niet respecteren als volwaardige mensen, of erger zoals in Woerden eergisteren, dat is een slecht teken.
Het is een bewijs dat we ondanks onze welvaart geestelijk arm zijn. Dat we zelf ook niet gelukkig zijn. Het is een teken van angst. Bang dat als we iets van onze welvaart offeren, zelf tekort komen.
Maar als we onbarmhartig zijn tegenover mensen in nood wat blijft dan over van onze vreugde? Onze rijkdom zal steeds minder smaken.

Moge Jezus Christus ook nu in onze tijd onze leraar zijn. De leraar die ons deel geeft aan zijn leven, die ons deel geeft aan God, de schat in de hemel, aan de echte rijkdom die niet vergaat.
Laten we de zorg voor de vluchtelingen niet als een onmogelijke opgave zien. En ook voor alle anderen die tekort komen in onze samenleving.
Laten we liever de kansen in onze tijd zien om echte christenen te zijn.
Dan hoeven we ons ook geen zorgen te maken of het geloof en kerk in onze tijd nog iets voorstelt. Dit is misschien wel een hele mooie tijd om christen te zijn. Kijk, hoe liefdevol God ons in Jezus aankijkt. Amen.

© Pastoor Martin Los