preek op de 19e gewone zondag door het jaar in Mariakerk en Willibrordkerk 9 augustus 2020
“Wees gerust. Ik ben het. Vrees niet!” zegt Jezus tot zijn leerlingen 1). Hij heeft hen gedwongen zonder hem het meer op te varen. Voor hen een vreemde ervaring. Normaal is hun meester altijd bij hen. Nu staan ze er alleen voor. Dan blijkt dat ze zware tegenwind hebben. Ze komen geen meter vooruit. En het is donker.
We herkennen ons in hun gezwoeg. Hoe frustrerend het is om je in te spannen en geen stap verder te komen. Soms is het een boze droom waaruit we badend in het zweet uit ontwaken. Er zijn ook tijden in ons persoonlijk geloof het gevoel hebben dat we aan ons lot zijn overgelaten. Door God zelf. Alsof Hij zich niets van onze moeite en inspanningen aantrekt. Ook als kerk.
De kerk had al grote moeite om in de huidige tijd het hoofd boven water te houden. Onze jongeren groeien op in een wereld zonder God. Vele plaatselijke geloofsgemeenschappen dreigen binnen een jaar of tien hun kerken te moeten sluiten. Alsof dat nog niet genoeg is overvalt het coronavirus ons allen totaal onverwacht. Al een half jaar zijn onze openbare vieringen niet mogelijk of alleen maar onder strenge voorwaarden ter bescherming tegen de verspreiding van het virus. Juist als kerk en met vele ouderen zijn we kwetsbaar. Nu zijn de maatregelen iets versoepeld. Er mogen meer gelovigen naar de kerk komen. Maar overal blijkt dat het beslist geen storm loopt. Veel trouwe kerkgangers, met name de senioren die tot de risicogroep behoren, geven openlijk toe dat ze uit vrees voor besmetting voorlopig liever nog even afwachten. Heel begrijpelijk.
De kerk had het al zo moeilijk en nu komt deze epidemie daar nog eens boven op. Zullen de geloofsgemeenschappen dit vol houden? Gelukkig zetten in onze geloofsgemeenschap vrijwilligers samen de schouders eronder om de vieringen mogelijk te maken en zo goed mogelijk te laten verlopen.
Maar wat een gezwoeg en wat een inspanningen om te roeien met de riemen die we hebben om het geloof te vieren en door te geven. Er lijkt geen einde aan te komen.
Dat is de situatie van de leerlingen in de boot op het meer daar in die nacht met die harde tegenwind. Maar juist als denken dat ze aan het eind van hun krachten zijn, blijkt dat Jezus bij hen is. Al die tijd. Hij heeft voor hen gebeden. Er was voor hem geen afstand tussen hem en zijn leerlingen. Hij zorgt er ook voor dat hun inspanningen niet tevergeefs waren. Hij verschijnt tegen de morgen aan hen als de Heer.
Uitgeput als ze zijn, door hun gezwoeg in de nacht, denken ze een spook te zien. Een voorbode dat ze zullen vergaan. Dan klinkt het verlossende woord: “Wees gerust. Ik ben het. Vrees niet!”
Die bemoediging klinkt door heel de Bijbel heen: “vreest niet”. Wees niet bang.
Dat betekent niet: “jullie zal nooit iets overkomen als je in Mij gelooft”. Dan zou ieder die op welke manier dan ook door verlies is getroffen, te weinig geloof hebben gehad. Dat is helemaal niet wat Jezus ons wil zeggen en het is ook helemaal niet onze ervaring
“Vrees niet” wil zeggen: als je je in je leven laat leiden door God, mag je erop vertrouwen dat jouw leven niet tevergeefs is. Wat er ook gebeurt. Als je jouw roeping als echt mens volgt mag ervan overtuigd zijn dat niets jou van je groei als kind van God in de weg kan staan. Dat je je jouw bestemming bereikt. En dat je ook mag bijdragen aan de komst van zijn koninkrijk.
Soms lijkt het alsof God niet thuis geeft. Soms lijken allen inspanningen voor niets. Maar als je volhoudt, wordt je gesterkt in je geloof in je vertrouwen dat Jezus ons leidt en dat hij ons de overwinning schenkt. Maar er is geen overwinning en geen doel dat bereikt wordt zonder inspanning. En juist als we denken dat het allemaal voor niets was, blijkt de finish dichtbij. Zoals de leerlingen die meenden met al hun gezwoeg ten onder te gaan, hoorden: “Wees gerust. Ik ben het. Vrees niet!”
Die woorden zijn ook tot ons gericht als mensen die het met God en de boodschap van Jezus wagen. Ook in deze tijd. Petrus neemt zoals altijd het voortouw. Altijd moet één de eerste zijn. Dat is altijd zo. Eén mens moet de eerste zijn en één stap moet de eerste zijn. Petrus legt alle angst af. “Heer als u het bent, zeg dan dat ik naar u toe mag komen”. Gelukkig zijn er mensen die het erop wagen zoals Petrus.
“Kom maar” zegt Jezus hartelijk. Hij geeft Petrus de kans om te ervaren dat hij gegroeid is door heel deze gebeurtenissen heen. Het is geen overmoed.
Maar dan overvalt Petrus toch nog weer de angst als hij naar de golven kijkt en niet naar Jezus. Vertwijfeld roept hij uit: Heer, redt Mij.
Dan grijpt Jezus hem bij de hand. Hij schudt niet zijn hoofd. Hij zegt niet: had je maar niet zo voermoedig moeten zijn. Hij helpt. Hij steekt zijn hand uit. Die hand, die sterke hand, die het laatste woord heeft over ons, over zijn kerk, en over heel de wereld. Het is die hand die we in ons leven mogen herkennen als we ontdekt hebben dat we Heer ons nooit in de steek laat, maar ons altijd nabij is. Ook nu. Onze inspanningen en gezwoeg zijn niet tevergeefs. En ons durf en moed mogen soms niet toereikend blijken. Geen nood. Als de nood het hoogst is, is de redding nabij. Amen
(c) Martin Los
1) Evangelielezing van deze zondag volgens het universele r.k. leesrooster: Mattheus 14:22-33
Tag archieven: bestemming
Niet in de wereld geworpen, maar geroepen
Preek op de 2e zondag door het jaar op 13 en 14 januari 2018 Mariakerk en Willibrordkerk
‘Samuel kende de Heer nog niet. Een woord van de Heer was hem nog niet geopenbaard’ 1)
De jonge Samuel hoorde een stem die hem riep. Die stem kon hij eerst nog niet onderscheiden van de stem van de priester, Eli. Tot dan toe was Eli degene die over hem waakte, die hem riep en opdrachten gaf. Op een duidelijke manier vertelt het verhaal hoe Samuel gaandeweg onderscheid leert maken tussen de stem van buiten, zoals van ouders, priesters en andere autoriteiten, en een alleen innerlijk hoorbare stem van God.
Dit verhaal beschrijft hoe wijzelf als kinderen leren onderscheiden. Eerst is de wereld voor ons voorhanden als een soort toneel. We lopen erin rond als toeschouwers met ogen op steeltjes, als potjes met grote oren. Gaandeweg worden we ons bewust dat we geen toeschouwers zijn en ook niet samenvallen met die wereld, alsof we er niet toe doen. We mogen een eigen plaats en taak vervullen. We gaan een eigen verantwoordelijkheid ervaren, die verder gaat dan besef van wetten en regels van buiten. Het is een eigen weg die we ontdekken en gaan. Zelfs als dat ons op kritiek komt te staan van onze omgeving.
Het is een voorrecht wanneer we op die weg ontdekken dat we niet op de een of andere manier in de wereld geworpen zijn met de boodschap “zoek het maar uit”. Wat mooi als we ontdekken dat het leven een geschenk is. Dat God ons het leven geschonken heeft, en dat Hij ons roept om het leven met Hem te wagen en ons leven in zijn dienst te stellen. En dat juist zo ons leven zich ten volle kan ontplooien.
Die ontdekking deed Samuel. Het deed hem besluiten om te zeggen: “Spreek. Heer, uw dienaar luistert”.
Samuel stelde zijn leven in dienst van God. In volledige vrijheid. Als hoogste goed.
Of met de woorden van de antwoordpsalm 40: ‘uw Wil te doen, mijn God, is mijn vreugde’. 2)
God heeft ons dit leven en dit lichaam gegeven. We mogen er zelf voor zorgen en daardoor ook genieten van alles wat ons als mensen ten dienste staat, eten, drinken, kleding, spel, liefde, vaardigheden. Maar daardoor kunnen we Hem ook dienen met ons lichaam. Uit liefde en dankbaarheid. In ons dagelijks leven, maar ook in de eredienst.
In de katholieke liturgie met de tastbare rituelen, de wierook, de belletjes, staan en knielen, brood en wijn, mogen we op een bijzondere manier “God met ons lichaam eren” 3) zoals Paulus in zijn brief ons oproept. Zo mogen we met elkaar het leven mooi maken.
Eli, de priester, hielp Samuel te ontdekken dat God hem riep. Ook voor Eli was dit een proces van ontdekken en van loslaten. Eerst dacht Eli dat Samuel gedroomd had, want zelf had hij de jongen niet geroepen. Maar bij de derde keer ging de priester een lichtje branden. Hij begreep dat Samuel geen kind meer was, maar een persoon op weg naar de volwassenheid. Een mens met een eigen roeping en bestemming.
Ouders staan voor de taak hun kinderen te helpen zelfstandig te worden in denken en doen, en een eigen innerlijke ontwikkeling door te maken.. Datzelfde geldt voor leraren met hun leerlingen. Ook voor geestelijken met de zielen die hun zijn toevertrouwd. We moeten onze kinderen en pupillen en geloofsleerlingen niet tot papegaaien maken die ons nazeggen en na-apen.
We mogen onze kinderen en leerlingen vormen tot mensen die hun innerlijke roeping gaan verstaan en volgen, ook als die anders is dan wij ons hadden voorgesteld. Onze kinderen zijn ook Gods kinderen. We moeten vertrouwen hebben in zijn Geest.
We mogen onze kinderen en leerlingen en vrienden en andere mensen met wie we omgaan wel de weg wijzen en hen attent maken op het bestaan van God. Al heeft dat eigenlijk alleen maar kans van slagen als we zelf op een hartelijke geloofwaardige manier geloven.
Johannes de Doper wees zijn leerlingen op Jezus: ‘Zie het lam Gods’ 4). Meteen gingen zijn eigen leerlingen zonder om te zien Jezus achterna. Zo krachtig was de boodschap van Johannes. De twee leerlingen braken niet met Johannes. Ze liepen niet over. Ze waren juist echte zelfstandige leerlingen van Johannes doordat ze niet bij hem bleven maar Jezus volgden. Eén van hen was Andreas. Hij bracht eerst een etmaal in Jezus nabijheid door. Dat was genoeg om vanuit zijn eigen ervaring met Jezus de eerste die hij daarna ontmoette, zijn broer Petrus, bij Jezus te brengen.
Lieve zusters en broeders, laten we allereerst onze eigen roeping koesteren. Laten we ons persoonlijk elk moment verheugen dat we God mogen dienen en Jezus mogen volgen. Laten we ook anderen helpen hun roeping te ontdekken door in hun zoeken naar de zin van hun leven, de mogelijkheid van de ontmoeting met God ter sprake te brengen door te zeggen: “misschien is het God wel die jou roept”. Laten we ons niet schamen anderen actief te wijzen op Jezus, natuurlijk zonder enige dwang of opdringerigheid, maar meedenkend en zoekend.
Wat mooi als we zelf elke dag beginnen met de groet: ‘Tot uw dienst, Heer! Uw wil te doen, God, is mijn vreugde”
(c) Martin Los
leesrooster r.k. voor zon- een feestdagen: 2e reguliere zondag door het jaar
1) 1e lezing: I Samuel 3:3b-10.19
2) Antwoordpsalm: Psalm 40
3) 2e lezing: I Korinthiers 6:13-15a,17-20
4) Evangelie: Johannes 1:35-42