Staan in de levende traditie van de hoop

Preek op het feest van de Heilige Familie 27 december 2020 Mariakerk en Willibrordkerk, zondag in het octaaf van Kerstmis

Over de kinderjaren van Jezus weten we niet veel. Maar dát we iets weten van zijn kindertijd is natuurlijk al heel bijzonder. De lotgevallen van kinderen telden oudtijds niet mee. Voor zover er al iets over te zeggen viel, was het volkomen privé, een gezinsaangelegenheid, niet belangrijk voor buitenstaanders, voor de openbaarheid, het politieke leven. De paar zaken die we wel weten over Jezus’ kinderjaren speelt zich daarom niet in de schoot van het gezin af, maar in de openbaarheid. Zijn besnijdenis op de achtste dag. Dat was een openbare gebeurtenis waarbij familie en vrienden werden uitgenodigd en het kind de naam ontving. De andere gebeurtenis, daarvan zijn we vandaag getuige. Ook in de openbaarheid: de opdracht van de Heer in de tempel. Jezus wordt zelfs in de armen genomen door een man en een vrouw, beiden vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap: Simeon en de weduwe Hanna.
Na die opdracht van Jezus door Jozef en Maria aan God in de tempel, gingen ze naar hun huis. Daar “groeide Jezus op en nam toe in krachten.  Hij werd vervuld van wijsheid en de genade van God rustte op hem” schrijft Lukas 1). Dus niets over hoe Jozef en Maria en Jezus met elkaar omgingen. Of er wel eens een conflict was zoals in de beste families. We weten niet of Jozef en Maria uitblonken in opvoedkundige kwaliteiten. Ze zullen ongetwijfeld van hun kind gehouden hebben. Dat is ook eigenlijk genoeg. Liefde, elkaar vergeven, verdraagzaamheid. Ze hoefden ook het wiel niet uit te vinden. Ze hadden voorbeelden genoeg om zich heen in familie en buurt. Én ze hadden een belangrijk kader in de Joodse traditie. Heel anders dan voor de meeste gezinnen nu voor wie tradities grotendeels zijn weggevallen, zoals gebeden bij allerlei gelegenheden, bij het eten, bij het naar bed gaan of in geval van ziekte. Of allerlei rituelen en festiviteiten. Een levende traditie heeft een grote opvoedkundige waarde.

De kerk viert op deze zondag in het Kerstoctaaf het feest van de heilige familie, Jezus, Maria en Jozef. Ze doet dat niet om ons dit gezin voor te stellen als ideaal gezin, maar als gewoon gezin. Geen bericht, goed bericht. Een gezin zoals het bedoeld is, mensen die samen onder één dak leven, elkaar toegewijd zijn, en die zich deel weten van een grote gemeenschap, niet alleen de eigen naaste familie, maar de gemeenschap waarbinnen de tradities worden doorgegeven, de wijsheid en de religieuze veerkracht van de elkaar opvolgende generaties. Meer is eigenlijk niet nodig. Meer is ook niet nodig te weten van het gezin van Jozef, Maria en Jezus, en meer weten we ook niet. Die opeenvolgende generaties waarin wij mensen opgroeien en de meeste wezenlijke dingen doorgeven en vieren, staat vandaag centraal, in de ontmoeting van Simeon en de weduwe Hanna.
Een pasgeboren kind is voor de ouders een grote rijkdom. Maar ook voor de hele oudere generatie. Zolang er leven wordt doorgegeven is er vernieuwing en hoop voor de wereld. Elk kind is een belofte voor de toekomst. “Wat zal er van dit kind worden?”  zie je ouderen denken die zich over een kinderwagen buigen. Zo werd ook Jezus op het tempelplein in de armen genomen door Simeon en de weduwe Hanna. Voor Joodse mensen kon elk mannelijk kind de lang verwachte Messias zijn. Het kind Jezus brengt hen in extase en ze profeteren over hem en wat het teweeg zal brengen. “Nu laat gij Heer uw dienstknecht gaan in vrede want mijn ogen hebben uw heil aanschouwd, een licht voor uw volk Israel”. En Hanna dankt God en feliciteert heel Jeruzalem met deze aanwinst.
Het is mooi dat we in dit publieke schouwspel zien hoe het volk van God de Messias ontvangt zonder nog iets aan dit kind te ontdekken, maar door het eenvoudige gegeven dat hij de Verlosser zou kunnen zijn. Het is de Geest die hen doet profeteren en juichen. Deze mensen leven van de belofte van God, zoals Abraham deed. Een levende traditie die overgeleverd wordt van generatie op generatie – dat is het geloof in God als God van de belofte – vervult een volk van hoop.

Door de opdracht van Jezus in de tempel wordt Jezus opgenomen in die geloofsgemeenschap en zijn ouders geven aan dat zij hem in de geschiedenis van de hoop zullen opvoeden. Jezus die zelf de vervulling van deze hoop zal worden, is zelf in die hoop opgevoed.
Wij mogen als christenen die hoop doorgeven aan onze kinderen. Door onze omgang in gezin en familie en geloofsgemeenschap met elkaar, door de liefde, de vergevingsgezindheid en verdraagzaamheid. We zijn niet alleen ouders, kinderen en grootouders, maar allemaal kinderen van God door  het geloof, broers en zussen. Deelgenoten aan de grote universele familie van God. De mensheid die uitziet naar de ultieme verlossing van het kwade en de dood bij de wederkomst van Jezus. Ook wij zijn vol verwachting. Ieder kind dat geboren wordt, mogen we opnemen in die levende traditie. Die levende traditie, met Abraham begonnen 2) . Door de geboorte van Jezus vervuld. Door zijn dood en verrijzenis met nieuwe kracht ingeblazen. We kunnen het Simeon nazeggen: “Nu laat gij heer uw dienstknecht gaan in vrede want mijn ogen hebben uw heil gezien” en we mogen met de weduwe Hanna heel Gods volk feliciteren dat zij leeft vanuit de hoop en dat God zijn beloften vervult. Amen

Martin Los

1) Evangelie van deze zondag: Lukas 2:22-40
2) over Abraham: 1e lezing Genesis 15:1-6 en 21:1-3; en Hebreeën 11:8,11-12,17-19

Over autoriteit gesproken

Overdenking maandag in de 3e adventsweek
naar aanleiding van het Evangelie van deze dag: Mattheus 21:23-27

Lieve zusters en broeders, wij vragen ons denk ik af waarom de Farizeeën en Schriftgeleerden, zich zo terughoudend opstelden ten opzichte van Jezus. Zagen zij dan niet hoe bijzonder Jezus’ optreden was, de wonderen die hij deed, de heilzame woorden die hij sprak. Toch moeten we niet te hard oordelen over hen. Het is nuttiger om ons even in hen te verplaatsen. Zij waren de autoriteiten. Van autoriteiten mag je verwachten dat zij de samenleving behoeden voor personen die onder valse voorwendselen of met verkeerde intenties mensen voor hun karretje proberen te spannen, door hen te ontmaskeren voordat zij mensen die op hen hun vertrouwen stelden, diep teleurstellen of in hun val meeslepen.
Elke tijd kent charismatische leiders die door hun eigen roem verblind, buiten hun schoenen gaan lopen en zich menen meer te kunnen permitteren dan gewone mensen. Bureaucratische leiders die zich slaafs aan de regels houden, zijn ook geen echte idele leiders. Maar charismatische leiders verdienen dat we hen niet kritiekloos volgen, omdat helaas bij hen narcisme op de loer ligt alsof alles om hen draait.
Het is dus niet zo vreemd dat de Joodse autoriteiten enigszins terughoudend stonden ten opzichte van Jezus. Jezus zelf waarschuwt voor valse messiassen die zich zullen opwerpen in tijden van nood en beproeving.
Dat de Joodse autoriteiten als een soort keurmeester optreden is niet wat Jezus hen verwijt. Maar wel dat zij als autoriteiten – juist zij – hem niet herkennen als de Messias.  Zij zouden de eersten moeten zijn als gezaghebbende personen. Waant zij ontlenen immers hun gezag aan de levende traditie. Zij hebben door de overgeleverd kennis en wijsheid toch voldoende in huis om echt van onechte te onderscheiden. Daarom gaat Jezus niet in op hun vraag: “welke bevoegdheid hebt ge om dit te doen?“ Hoe kun je aan een blindgeboren uitleggen wat kleuren zijn?
Tegelijkertijd geeft hij hen als autoriteiten een raadsel op: “met welke bevoegdheid doopte Johannes de Doper?” als jullie daar een antwoord op kunt geven, zal ik vertellen met welke bevoegdheid ik doe wat ik doen”
Ze overleggen bij zichzelf: als we zeggen “van de kant van de mensen” zal het volk zich tegen ons leren want zij houden Johannes voor en profeet. Zeggen we van de kant van God, dan zal Jezus zeggen: waarom heb je hem dan geen geloof geschonken”. In het eerste geval vrezen zij hun autoriteit in de ogen van het volk te verliezen. Dat kan natuurlijk niet, want als een autoriteit zijn autoriteit verliest is het geen autoriteit meer. Maar in het geval dat zij zeggen: Johannes handelde van Godswege, dan zouden ze dus als autoriteiten moeten zeggen: Johannes was een van God gezonden. Dat zou dus voor hen juist reden moeten zijn om Johannes te erkennen en dus ook Jezus die hij had aangewezen.
Dus Jezus valt niet op een goedkope manier het gezag – of elke vorm van gezag af – zoals vele revolutionaire figuren en volksmenners en anarchisten doen.
Wat Jezus duidelijk maakt en de Joodse autoriteiten verwijt dat zij niet als autoriteiten optreden zoals ze zouden moeten en gezien hun positie ook zouden móeten.
Bidden we dat ook in onze tijd autoriteiten zichzelf niet voorop stellen, maar hun autoriteit gebruiken om wat boven hen staat en wat van God komt te onderscheiden en te respecteren. Zij dienen daardoor de samenleving en vergrootten hun autoriteit.
En laten wij als samenleving die niet zonder autoriteiten kan, het vermogen ontwikkelen om waarachtig gezag te herkennen en te erkennen.  Amen

(c) Martin Los, pastoor