Pasen: onze sterfelijkheid met een gerust hart aandurven

Preek in de Paaswake 2020
toen het Evangelie naar Mattheus 28:1-10 werd voorgelezen

“Weest niet bevreesd” zegt de engel tot de vrouwen die naar het graf van Jezus kwamen kijken. Er was een aardbeving. Een kolossale steen voor het graf rolde weg. De bewakers schrikken zich bijna dood en zijn buiten westen. Alles beeft en siddert. Voor wie zou dit niet schokkend zijn: de dood is overwonnen. Dit is geen wereldnieuws, maar groter-dan-de-wereld-nieuws. Een wereld waar de dood, en zijn schaduw over het leven, geen macht meer over heeft. Dit nieuws is breaking. Het is de wéreld openbrekend nieuws. Dat botst met alles.
Maar de vrouwen hoeven niet te vrezen, zegt de engel. Voor hen is wat hier is geschied, alleen maar reden tot grote vreugde. Het graf is leeg. Dat kan maar één ding betekenen. Jezus leeft! Hij heeft de dood overwonnen.
De vrouwen mogen als eerste Jezus ontmoeten als de verrezen Heer die altijd bij hen is. Zij hebben hem liefdevol verzorgd tijdens zijn leven en sterven. Hun liefde wordt beloond. Nu moeten ze dat goéde nieuws delen met anderen. Om te beginnen bij de leerlingen, die ergens in de stad bij elkaar zitten en uithuilen omdat hun Heer aan het kruis gestorven is.
Zo verschijnt Jezus dus niet aan de hele wereld in een apocalyptische moment waarin horen en zien vergaat. Hij verschijnt in alle vrede aan degenen die hem kennen en gevolgd zijn tot het einde. Aan degenen die Hij zijn liefde heeft verklaard. Geloven in de verrijzenis van onze Heer is geen menselijke prestatie die slechts voor een enkeling is weggelegd. Het is een geschenk van zijn liefde voor ons. Hij komt onze tastende liefde voor hem te hulp. Houd van Jezus als de Christus, en het geloof in zijn verrijzenis wordt je in de schoot geworpen. Je kunt niet van Jezus houden als degene die Hij is, en aan zijn verrijzenis twijfelen.
Toen de vrouwen zich haasten om het goede nieuws aan de leerlingen te vertellen, kwam Jezus zelf hen als eerste tegemoet. Ze omklemden zijn voeten. Ze wilden hem uiteraard vasthouden. Maar dat was niet hun opdracht. Ze moesten de leerlingen van het grote nieuws op de hoogte brengen. Liefde is niet zelfzuchtig. Echte vroomheid kan nooit betekenen dat we de Heer voor ons zelf willen houden.
“Weest niet bevreesd” zegt de Heer, net als de engel tot de vrouwen : “gaat aan mijn broeders de boodschap brengen dat zij naar Galilea moeten gaan. Daar zullen ze mij zien”. Galilea, de plek waar de apostelen geroepen zijn om Jezus te volgen. Nu mogen ze in zijn voetstappen treden.
Laten we niet terugschrikken voor de boodschap van Jezus’ verrijzenis. Laten we leven met Hem als de weg naar het eeuwige leven. Een leven waarvoor zelfzucht geen plaats is, ook niet voor wrok, of hoogmoed, voor onrechtvaardigheid. Een leven vol beloften die onze hoop vermeerderen, een leven vol  vingerwijzingen die ons geloof versterken. Een leven uit Gods goedheid die onze liefde aanvuurt.
Pasen is geen ontkenning van de werkelijkheid met haar pijn en lijden. Pasen lacht ons niet uit als we treuren om onze doden zoals nu, waar we dagelijks geconfronteerd worden met de duizenden doden door het coronavirus. Pasen geeft ons juist moed om cynisme en wanhoop niet het laatste woord te geven. Pasen steekt ons juist een hart onder de riem in ons verdriet. Pasen vuurt ons juist aan om de menselijkheid en barmhartigheid niet uit het oog te verliezen. Pasen is onze sterfelijkheid met een gerust hart aandurven.
Aarzel niet om het te gaan zien en beleven. “Weest niet bevreesd”.

Martin Los

Licht voor onze ogen

Preek op de 5e zondag van de Vastentijd 22 maart 2020 in besloten Mis Mariakerk

Het evangelieverhaal van de blinde die Jezus genas, horen we elke drie jaar op weg naar Pasen 1). Elke keer dat dit verhaal klinkt, horen we het in de context van onze eigen ervaring. Ditmaal is het verhaal van de blinde ons op het lijf geschreven. Zijn we zelf niet blind?
We beleven een crisis, persoonlijk en als samenleving, die we niet eerder in ons leven hebben meegemaakt. Daarom tasten we als het ware in den blinde. Wat kunnen we doen? Wat moeten we doen? Soms lijkt het een bizarre droom, dan weer zorgwekkende werkelijkheid. Onze oren zijn gespitst op wat deskundigen en overheidspersonen ons laten weten. We horen een daadkrachtige premier, en een oprecht bezorgde koning. Dat doet ons goed. Maar wij en ook zij kunnen niet verder kijken, dan onze kennis van het moment en onze zorg en angst en verdriet. Niemand zag dit een paar maanden geleden nog aankomen.

In het verhaal horen dat Jezus voorbijkomt, vergezeld van zijn leerlingen, De omstanders horen de menigte debatteren over wat iemand blind maakt. Iets moet toch een oorzaak hebben. Ze spreken over zonde en schuld, karma misschien. Dan zegt die man die voorbijkomt: “zolang ik in de wereld ben, ben ik het licht der wereld”.
Wat moet je je daarbij voorstellen, bij ‘licht’ als je vanaf je geboorte blind bent?  Wat moeten wij ons voorstellen bij “zien” als we het gevoel hebben dat we ronddolen als blinden? Want wat we meenden te zien, was geen zien. Het is op zijn minst beperkt en altijd onvolkomen 1). Hadden we anders deze crisis niet hebben zien aankomen en hebben kunnen voorkomen. Zoals zoveel andere dingen als oorlogen, honger en armoede, ziekte en dood.
Dan maakt Jezus – zonder dat de blinde het kan zien –slijk van het stof van de aarde en speeksel uit zijn eigen mond, slijk dat hij op de ogen van de blinde smeert. Op zijn ogen, op onze ogen, mijn ogen. Zoals God ooit de mens uit klei van de aarde boetseerde en zijn adem inblies: “Ga je wassen in het badwater bij de tempel”. We moeten kennelijk opnieuw geboren worden. Uit het water komen, onze ogen uitwrijven. En zien.
De man zíet. Maar eerst nog zoals iedereen de wereld ziet. Allemaal mensen, met meningen, over God, over zonde en schuld, oorzaak en gevolg. Zijn zij niet de blinden? Leven zij niet met de rug naar het licht toe? Ziende blind?

De man verlangt alleen nog maar die vreemde man te zien die zei “ik ben het Licht der wereld”. Wat heeft het voor zin te zien als je het échte licht niet ziet. Het licht dat de hele wereld verlicht. We zien pas echt als onze ogen geopend worden en we de wereld en ons leven zien in het licht van Christus. Dat we deze wereld zien als voorwerp van Gods liefde. Ja, er zijn zorgen, er is verdriet. Er is angst en onzekerheid. Maar dat betekent niet dat de wereld aan haar lot is overgeleverd. De aarde en het leven zijn in wezen goed. Ondank alles de moeite waard om te leven, en zo te dragen voor elkaar. Het is Gods schepping. Laten we daarom niet als blinden tasten, maar leven vanuit de hoop die Christus is en die ons innerlijk verlicht. Dan zullen we kansen genoeg zien om elkaar bij te staan. Om niet door de vragen en onzekerheid verlamd te worden of cynisch of alleen op onszelf gericht.
In Christus zien we het gelaat van God. We mogen zijn kinderen zijn, kinderen van het licht. Zo mogen we in deze kwade tijd ons oog gericht houden op wat goed is, op wat gerechtigheid, en op waarheid 2). Ze zijn alle drie de hoogste waarden die oplichten door het geloof in God als alles duister is. Het ware licht dat in de wereld gekomen is, is Christus. Moge Hij onze ogen openen alsof we opnieuw geboren zijn. Laten we ook in deze donkere moeilijke tijd leven als mensen die wandelen in het onvergankelijk licht. Zien wat we kunnen doen, ieder op onze eigen plaats in deze donkere dagen.
Eeuwenoude woorden uit de Psalmen herleven: ‘De Heer is mijn licht en mijn heil. Wie zou ik dan vrezen?’ Amen

Martin Los, pastoor
Schriftlezingen op deze 5e zondag in de 40-dagen volgens het r.k. leesrooster voor zon- en feestdagen
1) Evangelie Johannes 9:1-41
2) 1e lezing: Efeziërs 5:8-14

Afbeelding: Healing Blind Man, by Brian Jekel